20090212

Interim

Het rosse meisje ligt op haar plankenvloer terwijl ze dagdroomt nabij de lauwe radiator. Haar gsm trilt haast geruisloos over de grond en wanneer ze die oppikt meldt het scherm een nieuw bericht:

We zijn dringend op zoek naar gemotiveerde telefonisten voor een sales department. Interesse? Reageer snel. Monster Interim.

Ze legt haar vrije hand op haar buik, dan op haar schoot, dan op haar dij, en zucht.

I’m afraid of all things that come too fast, too close to me, kreunt een zanger op de radio, zacht. Als het niet regende, dan was ze wel naar buiten gegaan, misschien wel tot aan het kantoor. Dat bellen was wel niets voor haar maar, tja, voor wie dan wel? Wie belt graag onbekenden op, niet zomaar, maar voor het geld? Weinig geld en veel gezaag, eenzame pubers en bejaarden, de schorre stemmen van allochtonen. Verkeerd verbonden? Altijd, hadden ze het haar gevraagd. Ze schuift rechtop langs de harde wand, vers geverfd door de nieuwe eigenaar. Gebroken wit. Als alles veranderd, wat dan moet zij daarin kwijt? Ze belt naar Sofie en spreekt met haar af in de stad.

Het geel is aan de orde van de dag, alsook de lange blokletters waarin de woorden staan. Dit is een nieuw café, dat zie je eraan. De plaats drukt haar efemeer karakter uit naar de mode van het moment. MINIMOI is een minimal room for maximal pleasures. Het kleine individu trekt zich terug uit de grote, drukke stad. Hier drinkt men thee of koffie. Groene thee in haar geval. Koffie voor Sofie. Een bliep en nu en dan een bas, meer niet. Alles is ritmisch en behoorlijk en haar thee smaakt heerlijk. Ze praten over weinig. Over een nieuwe film, een luisterboek, over wat nu te doen met een waardeloos diploma op zak, een bewust versleten tas. Gelukkig hebben ze nog beiden vader en moeder en vrienden en een leven in de grootstad. De president van Amerika is eindelijk een knappe, slanke, zwarte man en de crisis waait wel over. Van Europa hoef je niet meer bang te zijn. Het komt gestaag en dwarrelt zachtjes over ons neer. Voor we het weten worden we wakker en stemmen we als wereldburgers in een globaal-democratische dans. De tijden zijn hard maar Sofie en het rosse meisje voelen daar weinig van. Ze voelen van niets erg veel. Daar is niets mis mee, dat weten ze. De thee smaakt bitterzoet, dat is heerlijk. De koffie, die is ook goed.

Wat ze denkt van psychiaters en of ze ooit al eens ging? Het rosse meisje ging vier jaar lang maar ze zegt maar heel even. Sofie weet wel beter maar daar draait het niet om. Het was een vriendelijke man, zwijgzaam en geduldig, zegt haar vriendin. Of dat niet akelig was. Soms wel, zeker in het begin. Ze kon er veel kwijt, ze heeft er echter nooit een traan gelaten. Je kan je toch moeilijk voorstellen dat iemand daar weent? Sofie zou het niet weten. Ben je zelf nooit geweest? Nee, maar ze denkt er wel over na. Je kunt naar de mijne, ik heb nog zijn kaartje en het rosse meisje haalt de visitekaart tevoorschijn uit haar tas. Sofie wilde dat haar vriendin het zo niet had gesteld: de mijne. Hoe kan ze nu nog naar die man, als hij haar vriendin toebehoort? Hoe zou ze zich kunnen mengen met iets zo… intiems? Zelfs boezemvriendinnen horen niet zo dicht bij elkaar. Maar dat zegt ze niet. Ze neemt het kaartje aan en bedankt haar vriendin. Hij is echt attent, zegt het rosse meisje terwijl Sofie haar zak dichtritst. Haar vriendin kijkt haar afwachtend aan en Sofie had liever van niet. Het is of ze het kwijt moét, omdat ze vriendinnen zijn. Ze drinkt haar koffie op en vindt een uitweg: heb jìj al werk? Het rosse meisje slaat haar donkere ogen neer en staart in haar thee: heh, ik kreeg daarnet weer zo’n bericht.

13.12.08 – 12.01.09