20090212

Elke dag opnieuw

Doorheen Laïla's gesloten oogleden schittert de winterzon. Fluorescerende spikkels en krassen dansen tegen het melkachtig wit. De ogen harder dichtknijpend behoudt ze de vormen in donkere tinten. Ze laat het spel los en voelt de stralen branden op haar huid, tevens genietend van de laatste sigaret van de maand. Deze dinsdag achtentwintig februari valt niet in een schrikkeljaar. De Marlboro Light in haar mond is de laatste uit een pak en ze weet dat ze straks geen meer roken zal. Zelfs niet na de vier uur durende shift die nu voor haar en de anderen volgt. Ze zal gewoon naar huis gaan en wellicht koopt ze morgen ook geen nieuw pak. De witte damp ontsnapt als een zachte bol aan haar mond en ze ziet hem mistig stijgen met de triomferende zon. Laïla!, roept een andere vrouw in babyblauwe plunje en ze laat Laïla nog net binnenglippen. Alsof het haar laatste kans betreft. Elke dag opnieuw.

Ze lopen in de buik van de machine, de ingewanden van de fabriek. Ze spoelen en drogen grondig hun handen en trekken haastig kapjes en handschoenen aan. Ze prikken en voor de eerste zucht valt, staan ze al op post. Daar werken ze machinaal. Ze verpakken. Ze etiketteren. En ze stapelen, torenhoog, voordat de camion het koude daglicht brengt door de openschuivende poort. De poort ratelt omhoog, hun drukke stilte open, en ze wisselen de klucht van de dag met Mario, de camioneur. Mario heeft wel altijd een knipoog op stock, zeker voor Laïla, maar hij heeft nooit tijd voor koffie, die niemand hem trouwens kan bieden. Mario is vijftig. Dat zie je hem aan maar hij draagt ze goed, die jaren. Soms lacht hij wat moeizamer terug achter 't stuur terwijl de ratelende poort hem aan het verblijde oog van de vrouwen onttrekt. Dan rijdt hij een weg af die zij niet kennen al gissen ze de bestemming. Rijdt hij langs de vaart? Of rijdt hij langs haar huis? De meesten weten niet waar Mario met al die worsten heengaat.

Ze verpakken, etiketteren en stapelen. Soms snijden ze ook, voor redenen van variatie. Afwisseling zorgt voor mentale gezondheid, die van hen en het hele bedrijf. Dit bedrijf dat ademt en luid knort en dampig tiert en briest en worsten braakt. Dit bedrijf dat dus ook een ziel heeft en bijgevolg een gezondheid die kan gaan van bezield tot zieltogend, afhankelijk van individuele prestaties en gemoedstoestanden. De ziel van het bedrijf is iets collectiefs, iets als de som van haar delen. Meer dan die som zelfs: iets met naam, waarde en reputatie. Daarom snijden ook de vrouwen soms in het middengebouw. Bij de grote kooktonnen, achteraan, zijn enkel mannen, nooit vrouwen. Het is een ongeschreven regel, die niet wordt overschreden, net zoals de sas waar het gekookte vlees koelt. Achter dat sas liggen de kookplaatsen waar de mannen werken, tegen een beter loon, wegens hogere vaardigheden en hogere risico's. Kookplaatsen klinkt als een hel, waar zwetende, zwartgeblakerde mannen levende biggetjes in kokend water roeren en vanuit de hoog oplikkende vlammen reusachtige worsten sleuren. In werkelijkheid is het er even kil en hygiënisch als vooraan. Als in het middengebouw ook. Daar staan de werksters in hun lichtblauwe pakjes nu tegenover de ijskoude, roestvrije rekken. Ze snijden de worsten van mekaar en laten ze vallen in de bak. De meeste, de goede in de blauwe. De slechte in de rode. Soms lachen ze naar elkaar, hun vlijmscherpe messen nooit uit zicht. Ze wisselen dan enkele woorden, een halve volzin geïnterpungeerd door de val van een worst in een bak.

Laïla houdt niet zo van worsten snijden. Misschien omdat haar grootvader halalslager was. Misschien omdat ze dan niet kan dromen. Een lach, een woord, een knipoog, dat kan. Maar indien het innerlijke oog over verre oorden waart kom je wel vlug terug aan het rek te staan, starend naar vluchtig gulpend bloed uit een vers gesneden wonde. Laïla kwam het eens tegen, maanden geleden. De wonde deed geen zeer maar klopte dagenlang bij het helen. Op het moment zelf primeerde de grap en de kleuren; verbaasde gezichten volgden haar ogen naar het sijpelend karmijn uit de hemelsblauwe, plastic vinger. Drup, drup, drup, in de blauwe bak. Even stond alles stil onder het rauwe neonlicht. Ze hoorde enkel de mensenstemmen, de machines waren stilgelegd. In de achtergrond viel alleen het geknor van de andere zalen te horen. Het gedrum vooraan waar smurfen ritmisch verpakte worsten in dozen stapelden. De zoemende bas van de kokende hel achteraan, waar naakte duivels huppelden rond een vlammende ketel vol gillende biggetjes en knetterende bloemkool. Ze meende te glimlachen maar deed dat alleen maar binnenin. Diep binnenin: als iedereen nu eens in zijn vingers sneed. Of de mannen achteraan de tonnen lieten tuimelen, over elkaar. Dan was het congé. Dan zaten ze allen te kaarten en te lachen in het ziekenhuis. Dan zuchtte de fabriek omdat het eindelijk eens stil was en ze haar ziel kon laten rusten.

Laïla staart naar de worsten en weet dat ze moet opletten. Ze kan hier niet ver dromen of het drupt weer in de verkeerde bak. Dan gaan al die worsten teloor en verliezen ze kostbare tijd. Dan staat haar plaats in dit bedrijf op het spel. Dan moet zij naar boven, naar meneer Verheyen. (Wat wel meevalt, wat een lieve man.) Maar misschien moet ze wel eerst met een stollende wonde naar de onderbaas. Hij legt haar misschien uit dat ze hier niet meer past. Ze zou het niet kunnen, met hem neuken, zoals Hilde deed. Ze twijfelt ook of zoiets twee keer pakt, of een onderbaas meermaals toelaat dat een arbeidster op hem kruipt, of hij op haar, om worsten te blijven snijden. Sabrina lacht haar iets toe en draait haar blik naar Momo, die voorovergebogen aan een bak sleurt en de vrouwen zijn gespierde negerbillen prijsgeeft. Laïla giechelt terug naar Sabrina maar blijft letten op het mes, dat haar eigen arm bijna machinaal tot snijden drijft. Was ze maar met Momo op het strand.

07.08.08 - 12.02.09