20080911

Rot/wolkenkomplot

(zaterdag 8 april 2006)

Rot. Ik voel met rot. De routine. Ik draai me uit die bizarre plooi waarin ik steeds wakker wordt. Die wrange plooi, als van een verwrongen foetus. Mijn gezicht is uitgesmeerd over mijn kussen, mijn armen zijn haastig neergelaten wapens, één been keurig opgeplooid, het ander dwars over het bed, de voet bengelt nonchalant aan de rand. Ik draai me dus op mijn rug, ontwaak, herontdek mezelf en de wereld, de prikkels in mijn levensloze handen, de plakkerige mond, een sluimerende koppijn die weinig heilzaams voorspelt. Het grijze daglicht dringt traag maar kwantitatief mijn oogbol binnen en vult mijn hoofd. Mijn blik dwaalt af over de muur, dat lelijk kader waar ik al zo lang van af wil, elke dag opnieuw (godver-is-dat-daar-nog), het plafond met zijn vuile strepen en dan links over de woonruimte, de rommel, de lege glazen, de metalen ramen, de plekkerige ruiten erin, de stervende tuin daarachter, daardoor, daarbuiten. Soms is dit ontwaken een verrassing, een welkom lotsgeschenk, de voorbode van een feest. Meestal niet. Dan sta ik op met existentiële angst. Vervreemding en ongeloof. Vandaag voel ik me ook nog eens rot. En ik ben zo’n mens wiens gemoed vaak gelijkloopt met het weer. Of omgekeerd. Ik bedoel dat het weer precies al wist welk humeur ik zou hebben. Wolkenkomplot. “Mmmm, ja, nu gaan we even lekker grommen” of “ach, doe maar een briesje en wat zonneschijn.” Vandaag is het natuurlijk motregen en nu en dan een ernstige vlaag. De hemel regent vandaag niet droog.

Plannen stel ik uit. Twaalf uur dertig en nog die koppijn, ik denk aan wat ik ging doen. Ik kijk naar de vloer, krijg een grintgevoel aan mijn koude voeten. De grijsblauw gespikkelde tegels zijn grijsblauw gespikkeld opdat je vuiligheidjes niet zo vlug zou zien. Deze logica geldt tot je ellenlange stofslierten over de vloer ziet dwarrelen bij elke kleine luchtverplaatsing. Stofslangen. Ze sluipen geruisluis in de hoeken en rond meubelpoten. Camouflage werkt goed tot het gebied rondom je bureau de donkere, plakkerige sporen vertoont van het dagelijks verbruik van voedingsmiddelen en rookwaren. Tot je daar zoveel restjes hebt vermaald onder de stevige wielen van je bureaustoel. Tot ook je keukengrond verraadt dat je zo’n “vuile” kok bent; van middelmatige kwaliteit maar met steeds zeer vervuilende activiteiten. Ik moet ook nog inkopen doen. En nog die koppijn. En de regen.

Ik loop verloren tussen bed en boek, tussen douche en keukenkast, tussen masturbatie en de voordeur. Die trek ik straks wel open. Als de regen mindert. Ik stel vast dat mijn lichten uit zijn en ondanks de duisternis laat ik dat zo. Het heeft geen zin te proberen met een drietal lampen klaarte te scheppen. Kunstlicht overdag benadrukt alleen maar de pijnlijke kantjes: de vuiligheid op de grond, de grauwte van deze lentedag die eerder neigt naar een winteravond en vooral het on-ver-klaar-bare van dit geheel. De lichten blijven uit. Ik stel vast dat het altijd zo geweest is. Dit rot wakkerkomen, mijn blik die loopt over muren, grond, plafond en door de ramen. Daglicht. Wolframen. Mijn koude voeten en mijn zere rug. De stille hoop. Dat alles opklaart, de grond, mijn woonst, dat dolen. En God, die regen. De hemel regent vandaag niet droog.