20080911

Een stad onder 't vuil

(juni 2003)

Reeds twee weken staakte men, iedereen en overal en vaker dan verwacht. De AWV, de Algemene Werkersvereniging, overkoepelde een verbitterde en overtuigde strijd tegen de hervormingen van de Regering. In het land van duizend stakingen liet men eens te meer de mensen, waarvan velen op hun beurt staakten, wachten op hun tram, vloeken aan de bibliotheek of geërgerd zorgen voor hun kinderen, weerom niet naar school. Zo kon je ver buiten het stadscentrum groepjes vrijwillige werklozen zien zweten aan de bushaltes. Door die verdomde, algemene staking waren ze nu te laat voor de manifestatie. Erger nog, enkele zwaarlijvige bureaubeesten zouden de zomerse hitte te voet moeten trotseren om dan, eens ze het woelige stakersdéfilé hadden bereikt, nog meer te moeten marcheren. Maar naast deze geïmproviseerde vakantieweken, die de actief gebleven bevolkingsgroepen erg frustreerden tot sommigen spontaan een originele reden inriepen om zich bij de stakers te voegen, werd de Stad geleidelijk geteisterd door een acuter probleem. Aangezien de ophaaldienst in de Stad een openbare dienst was gebleven, hoorde die meteen bij de kerngroep van de algemene staking. Reeds twee weken staakte men dus en reeds twee weken stapelde het vuil zich op in de straten. De groene en zwarte vuilcontainers stonden overal hopeloos en slecht geparkeerd uit te puilen. Je had ze kunnen zien evolueren van keurig gevulde bakken, netjes aan de stoeprand geplaatst, tot zelfverzekerde stinkers met opengesperde muil en uiteindelijk tot chaotisch gegroepeerde, veelkleurige kuddedieren. De straten werden natuurlijk eveneens nagelaten en al vlug bleek de nonchalance van de stadsmensen. Papiertjes, plastic, sigarettenpeuken, half gekauwde snoepjes en kauwgum, urine, hondenpoep,… ongeveer alles en zelfs meer van wat normaal dagelijks werd opgekuist en doorgespoeld bekleedde het wegdek. De straten werden een walgelijke mozaïek, die zelfs festivalgangers zouden afkeuren. En alsof dit niet volstond trapten ’s nacht kunstzinnige zatlappen en delinquenten wat meer verf rond op het doek. De eerste week, toen het nog nu en dan regende, beperkte de schade zich voornamelijk aan het zicht en ieders verbeelding. Wie het papier-plastique-en-meer-maché zag wenste de mogelijke geur ervan niet te kennen en snoof wat meer regenlucht op. Maar na de tweede maandag, net toen de staking zich na een rustig weekend nog harder liet voelen dan tevoren, stak de zon triomfantelijk op. De Stad stonk verschrikkelijk, middeleeuws en zonder sociaal onderscheid. Van de glimmende villaatjes van Meilaan en Klein Parijs tot de overlevingsblokken van de Olympische buurt, ademde de Stad stront, in en uit. De Stad toonde op straat haar ware aard. Op de stoep lag wat in iedere familie gebeurde, wat elk huis niet meer wenste, wat elk binnenkoertje niet meer kon verdragen. Het centrum was natuurlijk het meest getroffen door deze zondevloed. Dagelijks gulpte vanachter de charmante façades min of meer goed verpakte bourgeoisstront over de stoep tot waar vroeger een goot had gelegen. Meer dan ooit hunkerde de Stad naar haar trash managers maar enkel de wind kwam voorbij. En de wind verspreidde de geur van wat de zon had doen rijpen.

René zwalpte meer dan dagelijks naar huis toe. Vanuit de Kleimensauwlaan volgde hij een horde papiermonsters tot aan de tramhalte. Het rijtuig slokte de monstertjes op maar René verkoos te voet te gaan. Als ik toch moet smelten, dacht hij, smelt ik nog liever alleen, op straat. Smeltend, dus, en aktetas in de hand doorkruiste René het park, de kinderen, de duiven en het archievenkwartier. Dondervliegjes hingen overal rond en bij het minste contact met zijn huid werden ze liquide, levensloze vlekjes. René dacht ook zo te willen sterven, met een zachte botsing opgenomen zijn door een hoger wezen, maar vond de vlekjes toch ergerlijk en walgelijk. Ter hoogte van Heilig Klaartje wenste René plots een bezoekje te brengen aan Brigitte. Hij zou dan gewoon via de Dijkenbouwerslaan en het park Huigoor op de Beerhiaatsweg belanden. Hij frommelde zijn das in zijn jaszak weg, ontknoopte zijn hemd een beetje en veegde overtollig huidvocht en gesmolten vliegjes weg. Aan de Rio sneed hij een groepje stakers middendoor. René staakte niet. Ten eerste, hij werkte in de privé-sector, hoewel hij volledig ontdaan was van enige competitiedrang. Daarbij, in de bureaus heerste een aangename werkatmosfeer, dankzij de nieuwste airconditioning. Terwijl hij langs de bomen van de Dijkenbouwerslaan liep, hoorde hij achter hem het herhalend getik van hondenpoten op de stoep. Aan het zebrapad stak een dikke labrador mét nicotinegeurig baasje hem voorbij. De overweldigende warmte weerhield René ervan het dier te trappen of enige opmerking te bedenken over het baasje. Een neukbare moeder trok Renés aandacht aan de rand van Huigoor. Maar hij bleef liever naar haar zevenjarige dochter gluren. Ze zou nog knapper dan haar moeder worden en erg sexy binnen tien jaar, hoewel ze het nu al was. Het kind flirtte even met René maar zijn lusten dreven hem verder naar de Beerhiaatsweg, nummer zesenvijftig. Op het gelijkvloers kefte de eeuwige poedel achter de groene deur van de conciërge. René had al een drietal keren op haar deur geklopt en wachtte nu al zeker twee minuten. Toen de deur zachtjes openkreunde en haar silhouet meteen weer naar de halfduistere ruimte verdween, had René zijn trouwring reeds afgenomen. Brigitte, verdwaasd van de Prozac en de aspirientjes, was weer in de sofa gestrand. Zoals gewoonlijk bleef René het raam uitkijken, aan niets denkend. Brigitte nodigde hem uit op een drankje maar hij moest er zelf om en “nu hij er toch was” dan ook maar iets voor haar. René had het niet gehoord. Normaal gezien zou ze nu weer in een comateuze toestand verzonken zijn. Maar voor hém kon ze nog opstaan, voor hém wilde ze nog iets doen, ja, zelfs nog naar haar keuken gaan. René staarde verder door het raam naar de zwarte wolken die zich opstapelden. Brigittes handen gleden over zijn hemd naar de knoopjes toe. Ze had hem weer in haar val en hij was zelf gekomen. Zo werkte het trouwens. Ze wachtte steeds onberoerd, soms dagen, tot ze haar kroonbladen kon dichtslaan rond dat brokje mislukte intimiteit. René wist niet waarom het in bed met zijn vrouw niet meer ging. Was het sinds ze wisten dat zìj geen kinderen kon krijgen? Hij was er niet zeker van. Zijn vrouw wel. Dat wist hij niet. Bij Brigitte voelde hij zich opgenomen. Brigitte was mager maar had grote, genereuze borsten. Bij Brigitte kon hij huilen. Brigitte was een moeder. Een moeder zonder kind weliswaar. Deze keer was de seks verschrikkelijk slecht. Hij kwam niet klaar. En de hitte maakte het niet alleen voor René moeilijk maar ook Brigitte was getroffen. Ze was misselijk en ze kotste op hem. Over zijn hemd, dat nog half over zijn schouders hing. Alsof ze het wilde goedmaken smeet ze haar lippen rond zijn eikel en begon hem te pijpen. René kon het niet meer aan. Hij staarde naar die slecht geblondeerde haardos ter hoogte van zijn lenden. Hij staarde naar dat slaperig restje vrouwelijkheid. Hij staarde tot zijn ogen prikten. Hij huilde zijn leven uit en rende de trap af. Net op straat besefte hij dat hij inderhaast zijn schoenen was vergeten. Op dat ogenblik kraakte de hemel tot in zijn beenderen en voelde hij de eerste druppels. Hij deed zijn bevlekte hemd uit en smeet hem op een hoop vuil. De regen spoelde de Stad, van Meilaan tot Nieuwdorp, van Sint-Maarten tot Klein Parijs, en laafde de mensen in hun dorst naar verlossing. René voelde het bittere wegstromen en voor het eerst sinds hij haar had ontmoet, maanden geleden, zag hij Brigitte in het daglicht. Ze was prachtig. Met nauwelijks een kamerjas om haar naakt lijf liep ze door de stortbui naar hem toe en vroeg hem naar binnen te gaan.