20080911

Een moderne man

(29 november 2006)

hij staat op. hij eet, wast zich, kleedt zich. hij maakt zich “chique”, niet té. hij maakt zich sympathiek. hij draagt het wijnrode hemd onder het donkergrijze pak. in feite een weinig subtiele keuze. in feite een flagrante modefout. maar hij staat er goed mee. zijn kleuren komen tot hun recht: de lichte bruintint in zijn huid, zijn bruine ogen, zijn grijzend haar. de zonnebank was een goed idee geweest. hij oefent zijn knipoog voor de spiegel. hij oefent zijn zachte maar viriele glimlach, fors maar verwelkomend, krachtig en ontvankelijk. met die glimlach had hij hààr de eerste keer doen smelten en een tiental keren daarna. met die glimlach was hij ook bij zijn schoonmoeder verkocht. misschien beter dat zijn schoonvader reeds lang dood was. met zo’n glimlach had hij van de oude militair ongetwijfeld een dreun gekregen. of erger: een verstaanbare onverschilligheid, een ijskoude negatie. die lach zou niet gepakt hebben. het bleef trouwens ook niet lukken bij haar. er kwam slijt op, het erodeerde voor haar ogen, zij werd er voor immuun. wat had hij dan nog over? hij was steeds een sterke bluffer geweest maar geen goede speler. hij had geen kaarten achtergehouden. zijn spel lag open op tafel. hun relatie stond op de helling. het verschoof met stoten en met een schril gekrijs. haar gekrijs. haar tranen. hun ruzies. één keer zijn hand. haar moeder. advocaten, dossiers, tafels, kasten, banken, rechtbanken, rechtzalen, rechtzaken, rechtsmensen, rechters. hij was een slechte verliezer. hun scheiding was een begin. het startsein van een waterige periode, een etherische periode ook. hij mengde tranen met sterke drank, drank dat hem het nodige vocht leverde voor meer tranen. het alcoholisch sediment dat in zijn geest achterbleef maakte hem vastberadener in het drinken, standvaster in het zelfmedelijden. het maakte hem ook kwaadaardiger. maar dat was een afgesloten hoofdstuk waarvan hij zich niet zo veel meer herinnerde. precies een nare droom.

hij drinkt het sap van rotte sinaasappelen. er zijn misschien bruine vlekken en schimmel op de pel, dat betekent toch niet dat het vruchtvlees slecht is, dacht hij. toch smaakt het sap anders. zoetzuur. hij drinkt het op. hij slikt een pil om kalm te blijven. hij stopt een muntsnoepje in zijn mond voor een frisse adem. hij staat nog éénmaal voor de spiegel. hij knipoogt zichzelf toe, haalt nog eens de versleten glimlach boven. hij straalt. toch? hij onderdrukt een huilbui. hij knijpt in zijn neus. hij drukt op zijn mond. hij haalt diep adem in. hij kijkt op zijn horloge, neemt zijn jas, verdwijnt door de deur.