20080911

De verloren Pollock

(20 mei 2008)

Katja Abramovic is joods-Russich van afkomst, zoveel is vlug duidelijk uit haar naam. Voor zover ik haar verder ken is ze agnostisch, kunsthistorica, ambitieus, midden de dertig en niet onknap, hoewel haar gelaat wat vreemde plooien toelaat als ze lacht. Ze lacht niet veel. Althans niet nu ze me met veel ernst vertelt over de verloren Pollock: een werk van de befaamde action painter dat hij naar verluid hoog in de bergen achterliet, in de zogenaamde Passage du Troubadour. Katja praat met mij tegen de donkere achtergrond van een verlaten museumcafetaria. Haar asblonde haren liggen over haar zwarte rolkraagtrui. Een subtiele gouden halsketting erover. Iets familiaals. Het ruikt naar neergeslagen rook, koffie en haar ietwat zwaar en dof parfum. Ze heeft gezweet. Ik vertrek.

Ik draag een korte trekkersbroek met zakken op de dijen, een knapzak in stevig katoen en bestofte bergbottines. Ik ben erop gekleed zoals ik me Al Smith, alias Jack Kerouac, voorstelde in The Darma Bums. De bergomgeving ziet er ook uit als het Californische deel van de Rocky Mountains. Niet dat ik daar ooit ben geweest of weet waarover ik het heb maar het ziet er als volgt uit: broeierig met rood gesteente en veel geel stof. Is dit niet Arizona? Of de Atacamawoestijn waar ik wél eens was en zelfs tussen de zandduinen fietste? Ik zie in deze hitte af. De beklimming is een hel. Maar ook dat moment is zo weer over en plots daal ik af met een schilderij in mijn handen. Het lijkt eerder op een kartonnen facsimile op A2-formaat dan op een Pollock. En Pollocks werk heb ik gezien. Dit lijkt niet op een Pollock, althans niet op zo’n typische dripping. Carpacciorode vlakken zijn besmeurd met een gelige, korrelige textuur. Pollock of niet, het is een mooi werk dat duidelijk door deze abstracte omgeving is geïnspireerd. Ter hoogte van een moeilijke richel wachten twee mannen in zwart pak op mij. De één is wat dikker en draagt en ringbaardje en een monocle of zoiets. Duidelijk een kunstliefhebber. De ander ziet gemener en draagt een zonnebril met ronde, halfduistere glazen. Ze bieden mij een prijs, die ik weiger. Ze dringen aan, beweren dat ik niet veilig van deze richel geraak. Ze ondernemen niets, zweten enkel om het schilderij dat ik vastheb. Aan het schilderij hangt een touwtje om het op te hangen. Ze bieden meer. Ik merk aan de rand van de richel een uitstekende tak. Ze bieden dubbel zoveel. Mijn plan is als volgt: ik hang het schilderij aan de tak en pluk het er weer van eens ik zelf veilig een niveau lager sta. De mannen verhogen hun bod. Met hun zwarte kleren zweten ze hevig in de blakende zon. Ik verander mijn plan. De verloren Pollock boven mij houdend slier ik van de richel, door het gruis, op mijn gat. Met beide voeten beland ik op de onderliggende terras. Ik kijk op en zie de zwarte gestalten tegen de rode bergen, het gele stof en de witblauwe lucht. Ze zijn verslaan. Nu is het simpelweg neerwaarts wandelen.

Het is donker en regenachtig en ik betreed het museum langs de binnenkoer. Door de hoge vensterdeuren merk ik het feest binnenin: een zoveelste nachtelijk vernissage. Enkele hipperds aan het raam merken mijn beslijkte verschijning en trekken hun wenkbrauwen op. In het schaarse maanlicht weerkaatst het witte, opgerolde canvas in mijn linkerhand. (De verloren Pollock is nu geen kartonnen plaat meer maar een echt doek.) Al even theatraal en stoutmoedig als bij de richel, rol ik nu het canvas open en druk ik het tegen het glas, met de beschilderde kant naar de arty’s toe. Zo houd ik het enkele ogenblikken en al vlug kijkt de hele zaal op. Doorheen het rumoer weerklinkt al hier en daar “Pollock”. Ik trek een vensterdeur open en loop langs de zwarte zijpilaren naar de bar. De genodigden volgen mij met hun ongelovige ogen maar wenden die even gauw af. Ze zijn meer vertoon gewoon. Aan de bar zit een oudere man met wit haar en een blonde kinderkop. Maar het is de jonge barvrouw die ik aanspreek. Ze heeft donkere wallen onder haar ogen door een tekort aan slaap en een teveel aan sigarettenrook. Dit nachtelijk kunstgedoe is niet voor iedereen een plezier. Ik toon haar het doek dat inmiddels slechts wit toont met hier en daar zwarte vlekken. (Ofwel toon ik haar de achterkant ofwel is de verloren Pollock weer van gedaante veranderd). Ze zegt dat ze daar niets mee hoeft maar ik maak haar duidelijk dat ik de verantwoordelijke zoek. Ze wijst naar Katja, achter mij, in de hoek. De oude man en het kind naast hem lijken mij vertrouwd. Terwijl ik de bar verlaat kijkt de man mij na met een vriendschappelijke glans in de ogen.

Katja zit op de grond aan een smal, beregend raam. Het grijze licht werpt een rechthoek over haar zijwaarts geplooide benen heen. Ik geef haar het doek maar voor ik het weet zit ik al met wroeging aan de bar en kijk ik naar de oude man en het blonde kind. Ook de barmeid buigt naar mij toe en ik vraag hen waar de Passage du Troubadour ligt. De man kijkt mij met zijn lachende ogen begripvol aan en zegt: “In Frankrijk, ergens in de Pyreneeën.” Hij glimlacht. Het kind zie ik niet. De barvrouw kijkt bezorgd.