20080911

De terugkeer

Een koortsige midzomernachtsdroom in het broeierige België.
(juli 2008)


Proloog

Het Ituri regenwoud, “het donker hart van Afrika”. Augustus 1887.

De prauwen steken door het nachtelijke vocht, het dikke, zwarte sap onder de kielen en de muskietenzwangere mist erboven. Rivier is een groot woord voor een miserabele stroom middenin deze donkergroene hel. Hij kabbelt net breed genoeg om de tocht stroomopwaarts toe te laten mits regelmatig gehak op de versperrende wildgroei. De nacht leeft vol van geluiden zonder zichtbare oorsprong. Op de eerste prauw houdt een blanke man van middelbare leeftijd zijn hoofd rechtop, schijnbaar met gesloten ogen. Nochtans glanzen ze vurig in de scherpe schaduw van zijn vuile tropenhelm. Matter glanzen de ogen van de twee donkere duivels op hetzelfde hout. Kort achter hen varen nogmaals drie mannen op een prauw: tussen twee stuwende negers in kijkt een jonge ontdekker schichtig rond. De bleke huid onder zijn blonde baard staat vol rode beten en uitgekrabde puisten. Hij hoort een schelle oerkreet en draait zich om. Alles wat hij ziet is de laatste prauw op de duistere beek, de drie negers die het weinige materiaal voortstuwen; enkele manden, machetes en geweren. Belachelijk weinig indien ze zich werkelijk overgeven aan onbekend gebied. Vertrouwde hij niet zo op de deskundigheid van de man voorop, dan had deze nocturne processie hem geheel onvoorbereid en onverantwoord geleken. Hij meent dat hun excursie meer lijkt op de geijkte mise-en-scène van een heroïserende persfoto. Of op een nauwgezette schijnvertoning om een of ander ongewenst individu in de nacht te laten verdwijnen. Zwart of blank. Met de ouwe weet men nooit.

De jongeman:
- “Sir Stanley, gelieve mij uit het ongewisse te verlossen. Het verloop van deze onderneming maakt mij bijzonder onrustig.” In de eerste prauw blijft de donkere, neerwaarts lopende snor onberoerd. De jongeman houdt afwachtend zijn blik op de tropenhelm voor hem, op de andere boot. Na een tiental seconden wijken zijn ogen af op de rugspieren tegenover hem, roerend onder de strakke, zwarte huid als diepe stromingen onder het wateroppervlak. De situatie verantwoordt zijn aandringen:
- “Sir, u weet hoe getrouw ik u ben maar u moet verstaan hoezeer ik twijfel zolang u mij niet het doel bekend maakt van deze nachtelijke missie!” Zijn stem weergalmt nauwelijks in de nacht. De luide duistermist absorbeert alles, behalve de krachtige stem van de ouwe, alsof Zwart Afrika hem ook dààrin heeft gestaald:
- “Uitstap, Rupert, een nachtelijke uitstap. En schreeuw zo niet. Je hoeft van deze jungle niets te vrezen. Er valt hier niets méér te beleven dan dat je kunt horen of zien.” Maar de jongeman ziet nauwelijks iets en onderscheidt met moeite dieren in de weelderige klankenchaos om hen heen. Zelfs niet hoorbaar voor zichzelf fluistert hij “Net daarom” en denkt aan alle mannen die ze de laatste weken verloren hebben. Ook de man voorop denkt daar even aan maar peinst dan aan het doel van deze uitstap. Hij staart stilzwijgend voor zich uit en de grijns onder de bruine snor geeft aan de nacht enkele gele tanden prijs.

***

De dragers trekken de prauwen op het droge en niemand zet daarbij maar één voet in het water. Alsof het een zwart zuur betreft. Alsof dit donker vloeien de herkomst is van alle kwaad. De blanken stappen af en al gauw kappen de negen mannen zich een baan doorheen het regenwoud. Rupert weet niet waarheen ze gaan en nauwelijks hoelang dit gaan zal duren. Hij weet dat de heer Stanley weet wat ze doen maar niet waarheen ze gaan. Hij weet dat de dragers evenmin weten als hijzelf. Alleen Mulondo weet wat en waar en Mulondo meent dat ze de hele nacht zullen wandelen. Als alles goed gaat zijn ze tegen de ochtend terug aan de rivier. Als alles goed gaat, dat zegt Mulondo. Niet dat het veel uitmaakt of ze bij dag of nacht lopen. De dag is in deze groene hel enkel een lauwe schemering.

Al uren lopen en hakken ze nu, kappen en struikelen ze doorheen het bos. De duisternis lost niet op. Erger, in de duisternis lost alles op. Behalve Rupert’s angst. De nacht ruikt zijn angst en voedt hem met felle kreten, takkengekraak en muggenbeten. De situatie verantwoordt verder aandringen:
- “Please, Sir... zegt u me toch...”
- “Allright, Rupert,” valt de ouwe hem in de rede, “stop met zagen. Straks maak je nog de negers ongerust en mogen we zelf de zakken dragen. Ik wou het wat spannend houden maar blijkbaar heb je het niet zo voor mysteries. Wat doe je dan eigenlijk op deze expeditie?” Dit is een retorische vraag. De jongeman beklaagt het zich reeds te hebben aangedrongen. Hij kent de ouwe inmiddels en diens manieren in dergelijke gesprekken. In dergelijke gesprekken gedraagt de ouwe zich steeds als een cryptische klootzak. Nu moet Rupert het spel wel spelen:
- “Sir, ik dacht dat we Emin Pasha kwamen redden maar u heeft duidelijk andere plannen.”
- “Vannacht wel, beste Rupert. Vannacht zijn we uit op een extraatje.” De ouwe draait zijn gezicht half om naar Rupert en de jongeman merkt de venijnige mondtrek die de snor gewoonlijk camoufleert.
- “U bedoelt?”
- “Je denkt toch niet dat ik op mijn achtenveertigste nog maandenlang de brousse doorkruis, enkel om een oude jood op te pikken wiens kop al evengoed op een piek staat te rotten?”
- “U deed het wel voor Dokter Livingstone.” Dit is een blinde steek onder water, beseft Rupert. Misschien krijgt hij hiermee niets los en verzandt zijn hele poging.
- “Die trip was wel kicken, ja. Nu, ik was toen twintig jaar jonger en, eerlijk gezegd, wat ik toen aantrof had nog weinig weg van een dokter maar veel meer van een... levende steen. Had ik dat voordien geweten was ik misschien nooit vertrokken.”
- “Maar nu?” recupereert Rupert.
- “Wat nu?” ontkent de ouwe.
- “We lopen vannacht geen malaria op om een verloren wetenschapper? Waar zijn we naar op zoek, Henry?” De situatie verantwoordt aandringen én familiariteit. De ouwe voor hem zwijgt en hakt overbodig in op een liane. Rupert weet dat de ouwe grijnst. Rupert is zijn eigen angst vergeten.
- “Henry?” dringt hij aan.
De ouwe geeft zich over:
- “We zoeken het hart der duisternis.”
Even meent Rupert dat het kleine stukje twijfel in hem, over de maanden heen langzaam gevoed, bij de gratie van weggestuurde manschappen, van achtergelaten lijken, van plunderingen, afstraffingen en folteringen gegroeid tot een loodzware tumor, zich nu en hier, op dit donker en godverlaten moment openbaart. Even meent Rupert te zeggen wat hij denkt: Henry Morton Stanley is een moorddadige gek.
- “Het hart der duisternis,...Sir?” slikt hij. De situatie verantwoordt aandringen én afstand. Geduld ook. De ouwe lijkt immers vertrokken in een minutenlange stilte. Rupert hoopt dat hij nog grijnst. Stanley’s stem klinkt alvast als een lach:
- “Een edelsteen.”
- “Een edelsteen?!” jankt Rupert en samen met zijn angst kaatst de jungle ook zijn stem terug.
- “Ja, Rupert, een grote, vette edelsteen!” Ook Stanley’s stem lijkt te weergalmen en de voorste negers houden met wandelen op. De groep staat aan de ondenkbare rand van een laar in het bos. In het doffe maanlicht van deze open plek merkt Rupert de sombere gezichten van de dragers en, zo meent hij, de onzekere blik van Mulondo.


Deel 1 : Nen serieuzen boem

Scène 1

Ukkel. Juni 2008.

Ondanks het grauwe wolkendek is het binnenvallend licht scherp en wit. De grote vensters kijken uit op de keurig begroeide binnenkoer. De oude, houten raamstructuur werpt wisselende schaduwen op het kleurig papier-maché. Delphine Boël tuurt in haar schoot. Er staan twee strepen op de tester en Delphine weet wat dat betekent: ze heeft prijs. Met reeds twee kinderen kent ze de routine wel. Hoe het komt dat ze nu weer zwanger is, dat weet ze echter niet. Het is haast onmogelijk. En toch weet ze het zeker, niet alleen vanwege de tester maar mede door dat dagenoude voorgevoel. Ze verlegt haar loodzware blik van de tester naar haar laatste, papieren sculptuur. Een zwarte Manneken Pis zwaait tergend triomfaal met een kloeke schaar naar een gele koningsfiguur. Uit diens opengereten buik loopt een bloederige navelstreng naar het net weggelopen kind. Ze twijfelt. Niet over kleur noch over vorm maar over oorzaak. Haar driejarige dochter Joséphine stuift het atelier binnen met driftige kinderpasjes:
- “Mummyyyy,” jelt het kind zich suf alvorens middenin haar woord te struikelen over de papieren navelstreng. Met zekere passen houdt ze zichzelf recht en meteen hervat ze haar liefdeskreet:
- “Mamaaaan.” Vooraleer Joséphine nogmaals de zwaartekracht toetst vangt haar moeder haar op en hijst haar op ooghoogte. Ze blikt het meisje peinzend en afwezig aan.

Jim O’Hare, de man van haar leven, de vader van haar kinderen, komt haar werkruimte binnengewandeld met hun pasgeboren Tobias in de armen. De baby trekt afgrijselijke gezichten maar het weent niet. Hij kust zijn vrouw tegen de slaap en vraagt:
- “Alles in orde, schat?” Niet dat Jim zo’n uitzonderlijke gave heeft voor het opsporen van onderbuiks gewoel maar hij is over het algemeen een voorziend man, een zeer attente echtgenoot en een constante minnaar. Delphine aarzelt een ogenblik, kantelt een moment op de rand van hun gewoonlijke vertrouwensrelatie maar antwoordt ditmaal eigenveilig:
- “Zeker, schat.” Ze glimlacht hem toe. Samen houden ze de kinderen vast en overschouwen ze haar recenter werk in het atelier: tricolore metaforen voor bolle buiken onder een fel, Brabants hemellicht. De tester steekt in de broekzak van haar werkplunje.


Scène 2

Brussel. Juni 2008.

Café B’Artiste is dé ultieme meeting point voor al wie houdt van goede kunst én goede koffie. Café B’Artiste is een brok gezellige belgitude in Brussel Centrum, net om de hoek van de Bozar en op wandelafstand van de Zavel. Naast een uitgelezen selectie saniteas en arabiata’s vindt u bij ons de beste, Belgische biobieren en -gebakjes. Café B’Artiste, voor al wie dat beetje meer wilt in het hart van België.

Een ietwat ranzige, veertigjarige homomaghrebijn dient de drie dames hun espresso’s op. Delphine Boël, Els De Schepper en Annemie Turtelboom tetteren onverstoord verder.
- “Maar, allez, Delphine, misschien laten je maandstonden wat op zich wachten na de geboorte van Tobias.” Een niet zò bijster intelligente opmerking en Els voelt het al aan haar onbeantwoorde mimiek. Ze neigt te grijpen naar haar sigaretten maar ook hier mag men niet meer roken. Delphine verlost haar uit de kwelling steeds opgewekte Els te zijn:
- “Dat dacht ik eerst ook. Maar de bevalling is alweer van april geleden en ik begon toch wat argwaan te krijgen.”
- “Ben je al naar de dokter geweest?” onderbreekt Annemie ernstig en driftig, zoals altijd.
- “Nee, maar ik heb al driemaal de test gedaan... Steeds positief.”
Na deze bevestiging kan Els haar enthousiasme niet meer inhouden:
- “Allez, ’t zit er eigenlijk op! Proficiat!” Ze pist het bijna uit. Half café B’Artiste kijkt op. Er zit gelukkig niet veel volk op maandagmiddag rond dit uur.
- “Houd op, Els, niet zo luid,” reageert Delphine geïrriteerd. “Jim weet er nog niets van en ook...” Ze twijfelt. Annemie heeft haar meteen door. Ze is een vrouw van inzicht en verstand:
- “Oh, nee. Jij en Jim hebben niet...”
- “Niet sinds Tobias, nee...” valt Delphine haar in de rede alvorens straks heel Brussel weet hoe het zit met Boëls postnataal seksleven. De Schepper barst nog verder open:
- “Jij vuile meid! Wie mag dan wel...”
- “Stil! Niemand, dat is 'm net. Ik begrijp er niets van.”
- “Jaja, tijgerke. Komaan, biecht maar op.” De gsm van Els trilt zijwaarts over tafel. Ze pikt het op en uit pure vreugde spert ze mond en ogen open:
- “Oooh, een berichtje van Bart Peeters: Je comeback op VRT? Een rol in Sex and the City op zijn Vlaams? In Antwerpen natuurlijk. Etentje bij jou? Sorry, meiden, ik moet door.” Turtelbooms ogen rollen gelijktijdig met de antieke wenteldeur waaruit Els nog schellebelt:
- “Houd me op de hoogte, loopse teef!”

Als het weinige volk in B’Artiste niet weet wat Boël allemaal na haar laatste bevalling uitspookt, dan is het nu alvast nieuwsgierig. Annemie betaalt bij de grijnzende ober en de dames schuimen de randen van het park af. In de verte toetert de brandstofbetoging op de binnenring.
- “Annemie, hoe kan dat nu? Ik heb echt met niemand gevreeën sinds Tobias’ geboorte.” De verwarring op Delphine’s gezicht remt Annemie's sarcasme niet af:
- “Tobias’ achterkomertje?” Geen glimlach. De verwarring plooit niet weg.
- “Grapje, Delphine.”
- “Het is echt geen grap. Ik kon het daarnet niet zeggen maar...Kijk.” Delphine trekt onopvallend haar ruim hangend kleed in de rug samen zodat het weefsel haar buiklijn volgt.
- “Annemie, dit is geen gastritis maar het is zò gezwollen op nog geen twee dagen tijd!” Nu is Turtle wel verward:
- “Shit, meid. En je hebt met niemand gevost? Geen waanzwangerschap? Godver, hoe is dat mogelijk?”
- “Wel... nee, laat maar.” Het ging er te vlug uit. Annemie is op versprekingen getraind door haar dagen in het pluche. Van achter haar donkere montuur trekt ze haar wenkbrauwen op als het overhalen van een pistooltrekker:
- “Bobo, je weet toch dat je alles kwijt kan bij Annemoeke.”

***

Wat Delphine nu vertelt aan haar boezemvriendin heeft ze de laatste nachten hevig over gewoeld. Ze overliep in gedachten alle momenten sinds Tobias’ geboorte en vond natuurlijk niets dat tot een zwangerschap kon leiden, voor zover deze onnatuurlijke bolling echt een zwangerschap was. Maar dan was er die ene namiddag dat ze thuis een pakje ontving. Het was massief en de inhoud bleef onbeweeglijk. Ze herkende meteen de codes en de zegel en liet het enkele minuten op het keukenrek staan, terwijl ze er nagelbijtend naar keek. Wat kon het nu weer zijn? Wat wilden ze nu van haar? Even dacht ze de koerier in te halen maar daarvoor was het te laat en wat had het uitgehaald? Ze moest het maar zelf openen. In de witte postdoos stak een verticale kist met een purperen, fluwelen bekleding. Over de randen liep een subtiele, gouden lijn die vooraan samenkwam in een stukje onmiskenbare heraldiek: een kroon, een rechtopstaande leeuw op een wapenschild, twee gekruiste scepters en daaronder een spreuk. Ze draaide het deksel open en haalde een zwaar, ebbenhouten beeld uit de kist. Het was zo’n veertig centimeters hoog en duidelijk Midden-Afrikaans van oorsprong of op zijn minst van inspiratie. Boël was geen kenner maar gezien het familiaal verleden twijfelde ze geen ogenblik aan de authenticiteit van het beeld, van de kist en van de afzender. Het bezorgde haar bovendien een zeer ambigu gevoel want ze was sterk gecharmeerd door het object. Het was een soort vrouwelijke godin met brede heupen, puntige borsten en uitgesproken schaamlippen. De bolle buik was hol en in de opening was een prachtig sieraad opgezet dat zelfs in het zwakke kamerlicht fel contrasteerde met het zwarte hout. De edelsteen bleef Delphine precies eeuwenlang fascineren tot ze Jim hoorde thuiskomen. Ze schoof het beeld in de kist en de kist achter de vuilbak in de keukenkast. Daar op haar knieën gehurkt, nabij de zoetzure geuren van het afval steeg een sterke geslachtsdrang in haar op. Ze voelde Jim achter haar in de keuken staan, ze voelde zijn blik op haar uitstekende kont. Ze verlangde dat hij haar stante pede zou verkrachten en snoof nogmaals dwangmatig de bedorven lucht op. Ze werd misselijk en ze wist dat het niet aan de geuren lag. De gedachte aan seks met haar man riep immers even gauw een gevoel van misverstand op, waarna afschuw en zelfs misprijzen. Met gloeiende ogen stond ze op in het schemerdonker en hoorde Jim in alle schaapachtigheid vanachter de open koelkastdeur: “Alles goed, schat?” Toen Jim die namiddag de kinderen had meegenomen omdat Delphine een creatieve bui had geveinsd, had ze zich meteen weer op het beeld gestort. Opnieuw werd ze geabsorbeerd door de schitterende edelsteen. Maar nu merkte ze tevens op wat de godin verder zo bijzonder maakte: bijna de helft van het beeld was ingenomen door het hoog oprijzende kapsel. Het was geribbeld als dat van Marge Simpson en kennelijk fallisch bedoeld. De godin had een penisvormig kapsel. Deze vreemde eigenschap versterkte Delphine’s fascinatie en verwarring. Waarom had het koningshuis haar dit object bezorgd? En wie in het paleis had dit gedaan? Een overweldigende wellust overstemde haar vragen en Delphine Boël nam op die stormachtige meidag een intieme wraak op haar man, op haar kinderen en op de zakelijke wereld daarbuiten. Delphine nam de godin tot zich en ze bereed het artefact in het ruwe licht van haar atelier.

***

Het pluche heeft Annemie Turtelboom niet enkel geleerd om te gaan met absurde situaties maar heeft haar ook gestaald in het formuleren van zakelijke replieken:
- “Okeeee. Dussss. Kortommm. Je kreeg een anonieme zending van het paleis met een Afrikaans beeldje dat je even tussen je dijen stak?”
Delphine Boël weet niet naar waar te kijken en bloost dus maar naar haar eigen schoot.
- “Delphine, ik rep geen woord.” Het kordate vertrouwen dat Annemoeke hiermee schenkt lost Bobo’s schaamterood niet op:
- “Annemie, dit klinkt zo stupide en zo...absurd.”

Het pluche en menig museumbezoek hebben Annemie Turtelboom ook geleerd dat in België niets absurd is, zeker...
- “Als het van Laeken komt, schat, dan is niets absurd. Hier zit meer achter, dat staat vast. Maar ik kan je binnen de koninklijke muren niet helpen, dat weet je best. Je zult daar zelf om uitleg moeten vragen.”
- “Aan Papillon?” vreest Delphine.
- “Aan hemzelve,” bevestigt Turtle terwijl ze beiden op een bank gezeten naar het lege paleis staren.


Scène 3

Brussel. Juni 2008.

De korrelige textuur van de bakstenen is niet meer zichtbaar. Niet met het blote oog. En als een hand erover scheert dan voelt men enkel de vochtige drab die eraan kleeft. Maar men komt er liever niet aan, men weet niet wat de hand op die wanden kan tegenkomen. In het beste geval de schimmels op een ondergronds manifest, anders misschien de de pels van een zieke rat. De stank is nauwelijks te harden maar de bezoekers zijn meer gewoon, weliswaar metaforisch en op papier. Drie Vlaamse politici waden door donkere gangen vol afval en stront. Hun ogen passen zich goed aan in de duisternis, bijna met genetisch gemak. Hun hoofdlampen houden ze nu liever uitgedraaid.
- “Het grootste deel van dit netwerk zijn oude, ongebruikte rioleringen,”
verzekert hen nochtans hun gids, “Het enige wat men hier aantreft zijn ratten, junkies, ex-communisten en heel wat illegalen. Zelfs Jan Bucquoy heeft hier nog een café gehad, net onder het Justitiepaleis. Maar er is vandaag voedselbedeling in de buurt, dus komen we vast niemand tegen.” De dikste van de drie, een laconieke einde-dertiger neemt nu en dan notities op een stafkaart van het Belgische leger. Hij droomt stiekem weg naar dorpsfeesten vol streekbier, jeugdbeweging en Rubensiaanse wijven.
- “De belangrijkste ader wordt echter gevormd door de overdekte Zenne. Het is een ongelooflijke moeras maar je kunt er wel op varen,” informeert hun joviale gids.
- “En boven dit netwerk?” vraagt een uitgebluste volksmenner wat aarzelend hoewel hij het antwoord al weet.
- “De stad Brussel natuurlijk, grotendeels gebouwd op los zand, vol deficitaire gebouwen en schieve architectuur.”
- “Dus de boel kan in één, twee, drie ineenzakken,” merkt de dikkerd cynisch op, geestelijk maar net terug van het Vlaamse walhalla.
- “Als men dat wilt, ja. Maar dan heb je toch een knal nodig. Nen serieuzen boem.”

Traag opkomende rumoer verstoort hun gesprek. Ergens bovengronds horen ze vrachtwagengetoeter en kwade mannenkoren. De gangen daveren van de aanschuivende zwaargewichten op de hoofdstedelijke binnenring.
- “De brandstofmars,” weet hun gids; “Laten we verder rechts afslaan zodat we rustiger kunnen voortdoen.” Hij draait zijn hoofdlamp aan om beter de indicaties op de zompige muren te lezen. De aarzelende volksleider komt even in het licht te staan. Zijn bleek afstekend gezicht toont hem als slechts een schim van zichzelf.
- “Bart, we kunnen dit toch niet doen. Wat zal er gebeuren met de Vlaamse gordel?” Zijn kaakbeen bibbert met de muren mee. Hij houdt zijn hand op voor zijn nauwgetrokken ogen. Hun gids, Guy Vanhengel, draait het licht weer uit terwijl hij weer voorop loopt.
- “Dat is een andere zaak, Yves,” troost Vanhengel, “Daar is heel veel nieuwbouw met goede, stevige rioleringen op harde, Vlaamse bodem. Dat is niet zoals dit goede, oude Brussel: nen schuune kast vol tirlantijntjes maar gans uitgevreten vanbinnen.” Opnieuw brokkelen de muren trillend af. De mannen kijken onrustig op maar hun gids loopt onverstoord door.
- “Ah, weer harde bodem. We zijn nabij het Vlaams parlement. Bon, waarde collegae, ik moet ervan door. Gelieve de gids niet te vergeten.” Verrast kijkt Yves naar dikke Bart maar hij percipieert enkel diens contouren. Vanhengel draait zijn lampje aan en met een fraaie glimlach steekt hij zijn hand uit:
- “Voor wat, hoort wat. Zoals afgesproken.” Het verlichte gelaat van De Wever ziet er onverbeterlijk sceptisch uit. Hij gunt Vanhengel een lange blik en haalt gelijktijdig een blanco cheque boven die hij aan Leterme geeft.
- “Yves, zet daar je poot onder.” Leterme twijfelt even maar al vlug klikt zijn balpen in het donker. Vanhengel ontvangt met een even fraaie glimlach en verdwijnt in een zwarte zijgang waar Evere op staat aangeduid.
- “Volg de aanwijzingen op de muren. Nog veel plezier.” Yves en Bart turen hem in stilte na. Eigenlijk zien ze gewoon recht in de duisternis.
- “Blauwe duivel,” fluistert De Wever beheerst.

Yves en Bart volgen langzaam en zwijgzaam de weg naar buiten. Yves slikt ongemakkelijk.
- “Goed. Bart. Laten we thuiskomen en dit allemaal rustig overpeinzen.”
- “Het is allemaal bepeinsd, Yves. Of denk je dat ik voor mijn plezier in donkere riolen rondloop? Van Brussel dan nog.” Leterme twijfelt of de vraag niet retorisch is. Met Bart weet je nooit. Opnieuw ziet hij enkel zijn omtrek.
- “Nee dus,” hervat de ronde silhouet, “Als de Fransozen niet plooien laten we Brussel letterlijk vallen.”
- “Maar, Bart, en al die mensen?”
- “Franskionnen.”
- “De grote markt?”
- “Antiek.”
- “De kathedraal?”
- “Te katholiek.”
- “De Muntschouwburg?”
- “Romantiek. En tweetalig.”
- “Manneken Pis?”
- “Zeikerd.”
- “De KVS dan?” probeert Yves ten laatste.
- “Alsjeblieft, Yves,” zucht De Wever vermoeid en hij stapt wat forser door, als een flink kind op trekkamp. Yves blijft wat verslagen in de stront staan.
- “Het Atomium? Bruparck? Mini-Europa? Bart?” De Wever verdwijnt verder de stinkende donkerte in, de gang van De kamer/La Chambre volgend, het bord met Vlaams parlement links latend.
- “Bart! Laat me niet alleen. Wacht. Ik ga met je mee.”
- “Rep je dan. Het plan moet voort.” Leterme zet in met grote passen, glijdt bijna uit over een oud, gedumpt Mariabeeld maar haalt zijn kameraad in.
- “Maar hoe ga je heel de boel doen imploderen?”
- “We hebben daar wel onze man voo...Stil! Ik hoor iets.” De Wever schudt instant zijn dubbele kin op als een spitse jachthond. Zijn neusvleugels sperren wijd open. Toch blijft hij zijn beheerste zelf.
- “Wie gaat daar?” stelt hij kordaat.
- “Scilt en vrient!” lacht een onzichtbare stem. Yves en Bart verroeren geen vin. Yves’ trillende vingers draaien aan het lichtje bij zijn voorhoofd maar Bart houdt ze meteen tegen.
- “Eric? Jo?” poogt De Wever. Het blijft stil. Ze horen druppels en neerstuivend gruis, misschien enkele, gedempte voetstappen.
- “BOE!” deinst het recht voor hen op. Leterme gilt als een schoolmeid.
- “Godver! Pieter!” roept De Wever geschokt en naar zijn zwak hart grijpend. “Als je het over de duivel hebt...”
- “Haha. Ik had jullie liggen, hé, suckers,” sneert De Crem in para-uniform, “Met mijn nieuw aangeleerde sluiptechnieken.” Hij trekt parmantig zijn infraroodkijker af en veegt de camouflagestrepen van onder zijn ogen.
- “Kijk wat ik hier gevonden heb: een oude Luger, vast van den Duits.” Hij strekt de armen uit en mikt met het geroeste pistool op Yves.
- “Pang, pang! Misschien is hij nog geladen. Haha!” Leterme kijkt hem lijkbleek aan. De Wever duwt Pieters handen vaderlijk neer en richt zich tot de premier:
- “Yves, je vroeg naar onze man...”
- “Deze gek?!”
- “Als Pieter niet over genoeg explosieven beschikt voor nen serieuzen boem dan weet ik het ook niet.”
- “Yes, sir! Laat dat maar aan Crembo over. Boem!” en hij port met zijn oude Luger in De Wevers buik.

De drie kameraden lopen samen de lichtjes op het einde van de gang tegemoet, waar onder een spot een Belgische vlag hangt. Ter hoogte van een Vlaamse Leeuw volgt Yves bijna het bord met de woorden Thuis-Vlaanderen-Laatste Afslag maar hij weet dat ze eerst moedig verder moeten. Eerst moeten ze terug naar rechts en naar boven, naar het daglicht, naar de regering van dit land. Spijtig, denkt Yves, hij begon hier eigenlijk wel te aarden.


Eerste intermezzo

Het Ituri regenwoud, “het donker hart van Afrika”. Augustus 1887.

De ogen van Mulondo zijn gefixeerd op de mossige totem die voor hen rijst in het schaarse maanlicht. De sculptuur ziet er schrikwekkend uit en treft Rupert met de manifeste opzet ervan. Ook de dragers bevriezen ter plaatse en laten de manden in ontzag neer. Dat het houten beeld op vele plekken gerot is versterkt enkel het effect van de diepe schaduwen die het bezaaien. Als deze stille wachter hier zo lang is blijven staan, ondanks de vocht, ondanks de tijd, dan kan dat enkel wijzen op de uitzonderlijke krachten van deze plaats. Dat is wat Rupert denkt en hij denkt anders niet zozeer in termen van krachten, behalve die van de Westerse wetenschappen. Maar maanden in deze natte brousse heeft ook zijn consequenties voor het blanke brein, zijn brein, maar ook dat van Henry Morton Stanley, de enige man voorbij de totem.
- “Non, bula matari, non, ne pas aller!” waarschuwt Mulondo terwijl achter hem de andere dragers reeds schichtige passen terug zetten.
- “Don’t bula matari me, zwarte lafaard! We gaan binnen, that’s it!” brult Stanley uitzinnig. De man mag nu totaal geschift zijn of enkel excentriek, denkt Rupert, in beide gevallen blijft men beter aan zijn kant. Mocht dit uitdraaien op een handgemeen en wild geschiet dan heeft de ouwe zeker enkele tegenstanders mee. De negers hebben misschien gelijk en lopen trots met een geweer maar hebben er vermoedelijk nooit mee gevuurd. De situatie vraagt om diplomatie.
- “Henry, ben je zeker dat...”
- “Rupert, zwarte magie is voor zwarten! Als ze niet mee willen, dat ze dan hier blijven wachten.” Het lijkt Stanley weinig te schelen of de dragers werkelijk wachten maar Rupert zou het ten zeerste appreciëren. Angst roept angst op en de situatie verantwoordt dus autoriteit:
- “Vous, vous attendez ici ou vos femmes n’auront plus de mains!”

De twee tropenhelmen werpen opflakkerende schaduwen op de rotswanden van de lange gang. Rupert voelt het ruw getouw om de fakkel prikken in zijn klamme hand. Praten helpt de angst zeker inslikken.
- “Henry, waarom zijn onze dragers zo bang? Wat is zo bijzonder aan dit heiligdom?”
- “Omdat ze achterlijk en bijgelovig zijn. Behalve Mulondo, weten ze niet eens wat hier ligt.”
- “Het hart der duisternis,” vult Rupert nerveus aan.
- “Voor mij een edelsteen. Volgens Mulondo een artefact vol magische krachten.”
- “Dus valt hier niets te vrezen?”
- “Neen, niets behalve waarvoor jij reeds heel de nacht in je broek zit te zeiken: dat we met zijn achten om middernacht rondhossen in Pygmeeënterritorium. En die dwergen kunnen ferm bijten.” Dat was Rupert feitelijk al vergeten. Maar hij twijfelt toch steeds of de Pygmeeën hier het grootste gevaar zijn.
- “Henry...”
- “Zwijg, Rupert, we zijn er bijna, ik voel het...”
- “U voelt het?” vraagt de jongeman aan de bukkende schaduw voor hem. Hij volgt de ouwe door een lage, geblakerde doorgang en voelt het eeuwenoude roet aan zijn schouders kleven. Ze komen een grote spelonk binnen en maar net stelt Rupert vast wat hun toortsen verlicht of Stanley grijnst al theatraal:
- “Heart of darkness, I presume?”


Deel 2: V voor wraak

Scène 1

Laeken. Juli 2008.

Koning Albert II raast naakt op een Harley Davidson langs de zonnige Côte d’Azur. Hij ziet er jong, bruin en fit uit. Aan de rand van de schuimende branding laat hij het beest tussen zijn benen ronken voor een prachtige, naakte blondine. De najade giechelt:
- “Mag ik mee?” Albert beseft meteen dat hij eigenlijk houdt van eenvoudige wichten met blauwe tepels.
- “Evidemment, baby, spring erop.” De blondine slaat al een been over de achterzitbank maar Albert gebiedt met een royale lach:
- “Neen, ma jolie, vooraan!”. Zijn erectie is immens. De stem van de zon klinkt als van ijzer:
- “Sire! Sire!” Albert schrikt op van onder de zijden lakens. Zijn lakei staat naast het koninklijk bed en schudt delicaat aan zijn arm:
- “Sire! Je suis désolé de vous réveiller maar uw dochter staat aan de achterdeur.”
- “Quoi? Astrid? Op dit uur?” Albert grijpt naar zijn bril op het nachtkastje.
- “Neen, Sire,” aarzelt de lakei, “Delphine.”
- “Bordel!” en de vorst veert op uit zijn bed en knoopt zijn kamerjas meteen dicht over zijn verslappende penis.

De vierkante muurtegels in de grote keuken achterin het kasteel weerkaatsen dof het brandende oog van Boëls sigaret. Ze zit neer aan de centrale werkplatform waarop de kist met het Afrikaanse beeld staat. Het zwakke licht in de tuin tekent de contouren af van haar immense buik. Albert sluipt door het deurgat en grijpt naar de schakelaar. De lakei houdt de koning tegen, het derde zintuig van Paola voor nachtelijk energieverbruik indachtig:
- “Sire, denkt u aan Madame.” Albert laat zijn hand zakken en richt zijn slaperige blik op zijn rokende bastaardkind.
- “Delphine? Wat moet dit?”
- “Wat moet dit?” en ze slaat bitsig met haar vlakke hand op de kist.
- “Wat is dat?” vraagt de vorst.
- “Ik zal jullie laten, Sire,” klinkt de lakei bedeesd in de achtergrond.
- “Ja, gaat u maar,” bedankt Albert, “En maak mevrouw niet wakker.” Vader en dochter kijken elkaar aan. Enkel de top van Delphines sigaret verschroeit de stilte.
- “Dit werd mij gestuurd vanuit het paleis en het heeft mij zwanger gemaakt,” stelt ze kalmer.
- “Zwanger? Maar je hebt zopas...”
- “Een zoontje, ja. En toch, je kunt er niet naast kijken, hé.” Ze staat recht en toont haar buik in het binnenvallend licht. Albert ziet de welving maar focust op enkele vuile plekken op het raam. Hij voelt zich moe en zinloos. Het liefst was hij terug bij de blonde nimf met de blauwe tepels.
- “Wat hebben wij hiermee te maken?” vraagt hij onzeker over wie hij met "wij" bedoelde.
- “Iemand uit het paleis stuurde mij deze artefact. Een magische kracht dwong mij het tussen mijn benen te steken. Ik ben er zeker van dat het mij bevruchtte.” De koning weet niet goed of hij nog droomt. Hij werpt een blik op zijn gerimpelde, schuddende hand en weet dat dit echt is. Uit de zak van zijn kamerjas haalt hij een doosje tevoorschijn en plukt daaruit een pil. Slikkend kijkt hij naar de zwangere silhouet die uit de kist een grillige vorm hijst. Albert II komt dichterbij en bestudeert het object. Hij ontwijkt de wachtende blik van zijn dochter. Na enige tijd sluimert het surreële uit zijn brein en dringt het voorwerp tot hem door.
- “Ik herken het. Het komt uit de koninklijke privécollectie.”

Achter de deur luistert de lakei af. De woorden verstommen maar hij onderschept ze nog voldoende.
- “Wat doet u hier?” De lakei schrikt ernstig op. Fabiola kijkt hem bevragend aan. Hij had het moeten weten. Als iemand ‘s nachts door het paleis spookt dan is het wel la vieille.
- “Ik...ik let op de veiligheid van de koning, Madame.”
- “En wat doet hij in de keuken?” Fabiola trekt fluisterend de deur open.
- “Boël?! Albert, wat moet dit?” Haar krijsende stem echoot in de gangen.
- “Fabiola! Stiller, alsjeblieft,” smeekt de vorst, al blij dat het zijn vrouw niet is. Delphine voelt ineens forse krampen in haar buik en beslist meteen een mogelijke waterbreuk voor buiten de paleismuren te houden. Ze draait zich van haar vader weg en loopt de nachtelijke tuin in. Albert kijkt haar triestig en machteloos na. In de gang horen ze Paola reeds toestormen terwijl Fabiola nog naar het vervloekte koningskind uithaalt:
- “En men rookt NIET in de koninklijke keuken!”


Scène 2

Kortrijk. 3 Juli 2008.

Heette de villa niet villa en had het geen ramen dan was het zeker een bunker geweest. De eigenaar noemt het soms grappend maar ook trots een staaltje polderbauhaus maar dat is enkel omdat Duits sommige vrienden van hem goed in de oren klinkt. Zijn huis is in feite niets meer dan een groot uitgevallen fiftiesfermette en het is groot omdat hij geld heeft. En dat hij geld heeft omdat hij macht heeft of andersom dat doet er niet meer toe. En dat hij vroeger meer macht had deert hem niet, hij heeft nu meer invloed. Hij houdt van zijn rol als ancien, als man in de schaduw en vanavond, zoals vaak, als ontvangende gastheer en stille supporter. Boven zijn huis hangen dreigende wolken maar hij heeft de meest beloftevolle mannen van Vlaanderen verzamelt in zijn salon. Zoals het een goede gastheer betaamt zorgt Stefaan De Clerck voor de hapjes. Hij moeit zich niet met hun plannen maar hoort graag alles van achter zijn bar américain.

Aan de grote, neorustieke vergadertafel zitten Eric Van Rompuy, Jo Vandeurzen, Yves Leterme, Bart De Wever, Geert Bourgeois, Marino Keulen en Pieter De Crem. Naast hun opengevouwen dossiers zweten frisse pinten. Allerhande Franse kazen en borrelnootjes staan te wachten op het liggende karrenwiel in het midden van de tafel. Zo’n wiel is handig want je kunt eraan draaien en je van je geliefkoosde snacks bedienen zonder te moeten opstaan of de anderen te storen. Bovendien mengt het op een esthetische manier traditie en hedendaagse utiliteit. Stefaan denkt aan alles. Hij heeft het idee eigenlijk uit China gepikt.
- “En waarom niet de mannen van het Vlaams Belang?” vraagt Geert Bourgeois waarmee hij denkt uit noodzaak een taboe te doorbreken.
- “De Blokkers? Ben je niet goed?” reageert Leterme nerveus.
- “Geert, dat weet je toch, die mannen zijn niet te vertrouwen,” bedaart Vandeurzen, “En voor je het weet doen ze of het hùn overwinning is.”
- “Jo heeft gelijk. Het is ons idee en niemand pikt het van ons,” bevestigt een licht briesende Van Rompuy.
- “Ja, laten we dat duidelijk zijn,” voegt Marino Keulen zelfzeker toe, een moment van stilte uitlokkend in de groep.
- “Marino, zwijg,” durft Van Rompuy. Marino zwijgt een draait aan het wiel, op zoek naar de bleu.
- “Wie brengt de vlaggen?” vraagt Bourgeois, steeds begaan met de grond van de zaak.
- “De vlaggen?” vraagt Leterme.
- “Ja, voor mee te zwaaien eens Brussel één groot gat is,” snuift De Wever met een opgetrokken mondhoek. Eric en Pieter sissen mee.
- “Geert, dat lijkt mij van minder belang,” medieert opnieuw Vandeurzen, “Vlaanderen heeft vlaggen genoeg op stock en die steken altijd vlug genoeg de kop op. Maar gezien het ook jouw departement is, stel ik voor dat jij voor vlaggen zorgt.”
- “Ok. Vlaggen,” noteert Bourgeois op zijn palmtop.
- “Nu we toch met media bezig zijn,” hervat Van Rompuy, “Geert zorgt ervoor dat op B-day de VRT heel Vlaanderen oproept tot burgeroorlog. En dan boem. De Walen zullen niet weten wat hen overkomt.”
- “B-day?” ergert Leterme zich al.
- “Ja. B voor België barst. Brussel. Bom. Boem. Bevrijding,” vat De Wever laconiek samen, “Het wordt een historische dag.”
- “Op 11 juli? Kiezen we niet liever voor V-day? Voor Vlaanderen?” Leterme kijkt rondom hem en ziet dat hij wel een punt heeft gescoord. In zijn keuken steekt Stefaan De Clerck zijn duim naar hem omhoog.
- “Je hebt gelijk Yves. V voor Vlaanderen. En vrijheid,” ondersteunt Van Rompuy.
- “Verlossing,” voegt De Wever toe.
- “En V2’s... of, neen, vrede,” weet De Crem.
- “En vlaggen en vaandels,” mailt Bourgeois al naar zijn handlangers bij de VRT.
- “En wraak!” exclameert Marino Keulen zoals toen hij Shakespeare opdroeg in het schooltoneel. Nu weer gevolgd door stilte in de zaal.
- “Wat doet deze idioot eigenlijk in deze groep?” ergert Van Rompuy zich.
- “Yves nodigde mij uit,” antwoordt Marino.
- “Marino, ik denk dat Eric wilt dat je zwijgt,” speelt Leterme diplomatisch. Marino laat zijn hoofd zakken en staart naar zijn lege Leffe.
- “Koffie, heren,” onderbreekt Stefaan De Clerck gepast en voorziet zijn genodigden van aardig porseleinwerk met het oude logo van het Ministerie van Justitie. Vandeurzen bestudeert het kopje met een glimlach. Wanneer Stefaan Eric Van Rompuy inschenkt probeert die laatste nog eens lief:
- “Zeker, dat je niet meedoet, Stefaan?”
- “Neen,” bedankt De Clerck, “Ik zorg enkel voor de KKK: koffie en koekjes in Kortrijk. Hahaha. Zolang mijn stad blijft staan, het hart van Vlaanderen, dan laat ik alles begaan.” Iedereen lacht conviviaal met de charmante verwoordingen van Stefaan.


Scène 3.

Ukkel. 10 Juli 2008.

De grote vensters van haar atelier weerkaatsen het straffe licht van de spots. De oude, houten raamstructuur werpt zijn lange schaduwen op de verduisterde binnenkoer. Delphine Boël ligt alleen op de vloer van haar atelier te kermen. Ze houdt het schreeuwen eerst in om haar kinderen niet te wekken. De pijn is verscheurend maar ze weigert Jim of wie dan ook te bellen. Ze hoopt dat het paleis iemand stuurt maar ze hebben haar nogmaals verlaten. Enkel haar kleurrijke beelden vergezellen haar in deze kwelling. Gans bezweet ontdoet ze zich van haar kleed, haar schoeisel, haar ondergoed. De ontkleding wijzigt niets aan de pijn. Helemaal naakt, met enkel haar sokken en haar sieraden aan, kruipt ze op handen en voeten overeind. Haar buik staat op barsten. Ze moet braken. Wat ook in haar lijf mag zitten, het moet eruit. De telefoon gaat. Misschien enige hulp. Ze krabt overeind. Pijnscheuten doorboren haar lenden en haar ruggengraat. Brandend waggelt ze naar het rinkelende toestel maar ze gaat te traag. Het antwoordapparaat neemt al over:
- “U belt met het atelier van Delphine Boël. Gelieve na de toon een bericht te laten.” De toon gaat over. De beller laat zich horen.
- “Delphine, c’est moi, Papillon. We moeten praten. Je verkeert in groot gevaar. Laat me alsjeblieft iemand sturen. Delphine? Ben je daar?” Met een wazige blik reikt Delphine haar handen uit naar het toestel dat veel te ver ligt. Ze schuifelt verder voort maar struikelt over de papieren navelstreng. Met een luide krijs valt ze voorover, recht op haar buik. Uit haar bebloede mond stoot ze een rauwe kreet over de vloer. Ze draait zich op haar rug en voelt haar water breken. De bolling die haar lichaam teistert zwelt onwaarschijnlijk op.
- “Klootzak! Gorte kloooootzak! Parasiet! Eruit! Eruit!” Het huidweefsel begeeft het onder de spanning. Delphine Boël valt bijna flauw maar raapt haar laatste krachten bijeen in een hees gegrom. Haar buik scheurt open en het bloed gutst over het omringende papier-maché. Schuimbekkend in haar laatste ogenblikken ziet Delphine Boël het monsterlijke wezen dat vanuit haar stukgereten lichaam opstaat. Vanop een pikzwart dwergenlijf met priapische geslachtsdelen schatert een blank mannenhoofd het bloed uit zijn witte baard.
- “Ma Belgique! Mijn land! Mijn koninkrijk! Ik ben terug!”


Tweede intermezzo.

Het Ituri regenwoud, “het donker hart van Afrika”. Augustus 1887.

Het getrokken mes van Stanley weerkaatst het licht van de beide fakkels die Rupert draagt. Minder opvallend is de schitterende edelsteen waar Stanley naartoe loopt. Het briljante sieraad is ingewerkt in een zwarten vrouwenbeeld met een hoog oprijzende haartooi. Het beeld staat in de opengesperde muil van een fantastisch monster, rechtstreeks uit de rotsen gehouwen. De felle kleuren op de wilde manen van het beest bladeren al eeuwenlang af maar behouden nog steeds hun alarmerend effect. Het vergeelde en krakende ivoor van olifanten voorziet het monster van een heuse kooi tanden. Voor het beeld zijn de kronkelende, verdorde wortelen van een bovengrondse boom tot sissende slangen gehouwen. Tegenover al deze dreigende pracht staat Rupert woordloos. Bijna verlangt hij Stanley aan te sporen het heiligdom niet aan te roeren maar de ouwe is al druk bezig de godin de bevrijden. Met vakkundige sneden maakt hij haar voetstuk los.
- “Nog even geduld, Rupert, we zijn er zo.” De jongeman twijfelt aan de onstrafbaarheid van hun daden. Hij twijfelt of stervelingen, zelfs blanken, zich zomaar kunnen inlaten met de laatste mysteries van deze aarde. Niet dat hij gelooft in magie of in romantiek. Hij zweert enkel bij ontdekking en vooruitgang. Maar hij gelooft wel in God Almachtig. En dit voelt als het ware niet gans... kuis aan. Als klaar voor de biechtstoel.
- “Dit voelt niet echt goed aan, Henry...” laat hij de ouwe weten.
- “Bijgeloof, Rupert, angst. Of zit je in met goed en kwaad? Weet je wat nog telt? Geld.”
- “Ga je het ding verkopen?”
- “Natuurlijk,” peutert Stanley verder, “Ik spaar niet echt in edelstenen. Ik ben meer uit op titels en kastelen. Maar eens ik dit verkoop... Enfin, het is al verkocht. Dit is eerder in opdracht. Hhhnn, los!” Stanley neemt het zware beeld in beide handen vast en kantelt het uit de bek van het monster.
- “En voor wie, als ik vragen mag?” Rupert loopt met de fakkels door de nauwe doorgang. Stanley volgt hem op de voet. Op het einde van de lange gang wachten hun dragers neergehurkt in de groenblauwe schemering.
- “Voor ouwe witbaard, zoals altijd.”
- “Heeft hij geen edelstenen genoeg?”
- “Jawel, maar hij is een verzamelaar van magische artefacten. De legendarische krachten hiervan intrigeren hem.”
- “En wat zegt de legende?”
- “Reïncarnatie, heerschappij, eeuwig leven. Zoiets. Mythologie is mijn dada niet. Mineralogie daarentegen...” Stanley grijnst terwijl hij de edelsteen van dichterbij bekijkt:
- “Op het eerste zicht een prachtige knoert van een smaragd,” en hij inspecteert het beeldje, “Maar ik laat het voorlopig in zijn verpakking... Ouwe witbaard houdt wel van kleine vrouwen.”


Deel 3: De terugkeer

Scène 1

Vlaanderen. 11 juli 2008. 19u00.

Het is zeven uur ‘s avonds. De kleurrijke drukletters lossen een prettige jingle af. Het is niet Ketnet of de Keno-uitslagen maar het avondjournaal van de VRT. Martine Tanghe is van het scherm verdwenen. Ook Wim Devilder verzorgt vanavond niet de omroep. Vanavond verschijnt geen vaste nieuwsanker op het scherm. Vanavond herrijst Ivo Belet maar enkel als bescheiden en onderdanige voorspeler:
- “Dames en heren, jongeren en ouderen, bodemvasten en nieuwkomers, homo’s en hetero’s, kortom, beste Vlamingen, vandaag is het dé dag van Vlaanderen, ons geliefde land, een land in het hart van Europa dat zich over de eeuwen heen heeft bewezen en zich ook vandaag triomfantelijk bewijzen zal. Overal hebben Vlamingen vandaag feest gevierd, van De Panne tot Maaseik, van Overpelt tot Brussel, Halle en Vilvoorde. Vandaag ook hebben uw politici, de mannen en vrouwen waarvoor u heeft gestemd en aan wie u het vertrouwen heeft geschonken, een oplossing bedacht. Vandaag wordt Vlaanderen bevrijd uit het communautaire kluwen die het decennialang teisterde. Ik laat het woord over aan Geert Bourgeois, onze Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme. Geert, aan jou het woord...”
Geert Bourgeois komt in beeld. Hij draagt een lichtgrijs pak en een nieuwe bril met transparante montuur. Hij is rustig en zakelijk gezeten aan zijn bureau waarachter enkele geelzwarte vaandels hangen.
- “Bedankt, Ivo. Inderdaad, vandaag lossen de Vlaamse partijen hun belofte in. Vanavond zorgen wij namens jullie, beste kijkers, voor een doorbraak in de Belgische last die op onze schouders rust. Het volk is moe van het parlementair gezwets en de holle woorden. Het Vlaamse volk heeft gekozen voor moedig doorzettingsvermogen en dat krijgt het meteen te zien. Maar zoals altijd rekenen we op jullie steun en eisen we ook jullie moed. Deze elf juli wordt een historische dag en dat helpen jullie verwezenlijken. Laat uw televisieposten aan en volg jullie leiders in deze dappere stap naar de toekomst. Verzamel kinderen, vrienden en familie en kom op straat. Haal uw Vlaamse vlaggen boven en zing met ons het Vlaamse volkslied. Vanavond, beste Vlamingen, laat u live het verleden achter. Alle Vlaamse vlaggen buiten!”

Het beeld schakelt over op een panoramisch zicht over de stad Brussel. Het lijkt op die statische opnames van de skigebieden tijdens het winterseizoen. De frisse huisstijl van de VRT verzekert de kijker dat hij dit live ziet en dit geen fictie is maar historische werkelijkheid. Een grote klok in de rechterbovenhoek telt meteen af vanaf dertien minuten en twee seconden. De uitzending wordt begeleidt door een opname van het Vlaamse lied door Scala en vrienden: Jasper Steverlinck, Stash, Anton Walgrave en co. Ze zuuuullen hem niet teeeeemmen, de fieeeere, Vlaamse leeuw...
- “Dit is pas televisie,” lacht Geert Bourgeois voldaan. Hij zapt de overige, Vlaamse zenders af en ziet dat de operatie goed verloopt. Alle zenders zijn gekaapt en afgestemd op de openbare omroep. Reeds zesentwintig oproepen staan in de wacht op zijn telefoon, bijna allemaal bonzen van de commerciële zenders, maar Bourgeois laat ze triomfantelijk aan de andere kant van de lijn briesen. Hij ontspant zijn ogen nog even op het hoofdstedelijke panorama van zijn flatscreen en smst dan naar alle leden van het V-dayteam.
- “Alles loopt perfect. Operatie Vlag en vaandel in de running.”

Eric Van Rompuy, op een parlementaire plee gezeten, ontvangt tevreden het bericht. Hij denkt terug aan scoutskampen en dagen vol kameraden tijdens de legerdienst. Hij spoelt door, verlaat het toilet en betreedt parmantig het halfrond, opnieuw ondergedompeld in een communautair kat-en-muis-spel. Op een Vlaamse feestdag dan nog. Maar ja, het was weer de zoveelste spoedvergadering, dé nocturne doorbraak, dé laatste tour de force naar vijftien juli toe. Ze zullen hun tour de force subiet krijgen, denkt hij, en hij knipoogt naar Jo, Bart en Yves die kennelijk het bericht hebben ontvangen. Marino Keulen heeft het zeker ook gekregen maar zit thuis met de snotter. Gelukkig, anders hadden ze moeten zorgen voor een huisarrest.
- “Ils sont devenus fous!” roept Joëlle Milquet zich plots uit. Het hele halfrond kijkt naar Madame Non die verbijsterd naar haar palmtop staart. De tonen van het Vlaamse volkslied overstijgen het omringende rumoer.
- “Meneer de voorzitter, u moet het scherm aansteken. Op de VRT!” Zodra de flatscreens de Vlaamse zender tonen, weergalmen Scala en vrienden in de Kamer. Iedereen kijkt vol ongeloof naar het serene zicht over Brussel Stad.

Het is een prachtige zomeravond en half Vlaanderen is niet eens thuis. Maar wie nog niet voor de buis zat wordt al gauw naar binnen gefloten en weinigen zijn diegenen die deze bewuste avond niet volgen op het scherm. De verwarring is groot, veel te groot om te kunnen reageren. Zeker met een teller die reeds op twaalf minuten staat. Zeker met een dubbelzinnige boodschap van politici waarvan niemand nog weet wat ze van plan zijn, als ze ooit iets van plan waren. En zeker met een bevolking wiens aandachtspanne getraind is op maximum drie minuten. Voorlopig houden de meeste kijkers hun adem in. Anderen lachen de mediastunt weg en trekken weer op terras. Huismoeders stellen de revolutie uit want de was moet nog in. Hier en daar komen vereenzaamde flaminganten op lege dorpspleinen gestormd met hun vlag zwaaiend: de lokale duif fladdert op, de bewoners zitten thuis, op een gesubsidieerde buurtfeest of op café. De jeugd is naar een fuif, zit te chatten of kijkt naar buitenlandse zenders. Ook in Wallonië neemt de aandacht vlug af. De RTBF geeft eerst instant verslag van de Vlaamse mediaputsch maar merkt dan op dat ze zelf de kunst hebben uitgevonden. Op RTL gaat de Franse versie van Sex and the City in tv-première. Alleen in het Vlaams Belang-kwartier te Antwerpen slaat de ontreddering toe. De Blokkers weigerden hun Vlaams feest op te offeren voor het parlementaire tijdsverlies en hadden zich verzameld in de Scheldestad. Vreugdevol zaten ze pint en worst binnen te slokken tot de beelden binnenliepen. De hoofden werden rood.
- “De verraders! Hoe hebben ze gedurfd,” roept Filip Dewinter uit, “Gerolf, Frank, vlaggen en mannen buiten, we gaan naar Brussel!”


Scène 2

Ukkel. 11 juli 2008. 19u06.

Het opengebarsten lichaam van Delphine Boël ligt levenloos op de koude grond. Moest de onwettige dochter van Albert II nog kunnen vaststellen dan zag ze door haar gebarsten hoornvlies de reïncarnatie van Leopold II.
Het bebaarde hoofd van de voormalige vorst staat op een zwart Pygmeeënlijf geschroefd. Dat op zich maakt hem al venijniger dan ooit.
- “Sale, petite garce,” schreeuwt de herrezen duivel naar de dode vrouw, “Wat dacht je? Dat je me zou aborteren? Laat me lachen. Dat kunnen jullie niet, de lafheid zit in jullie bloed. Kijk maar naar je vader. Of naar je nonkel... zette daarvoor zelfs zijn koningschap op pauze. Koninklijk geslacht, mijn kloten. Losers!” Leopold zou zo nog even kunnen doorgaan maar hij weet dat de tijd dringt. Hij zou haar graag helemaal tot moes trappen, zomaar, juste pour le plaisir, maar België wacht op zijn leider. Meteen verdwijnt hij via een afvoer op straat in de Brusselse riolen en bereikt zo een onderaards netwerk dat hij nog zeer goed kent.


Scène 3

Brussel. 11 juli 2008. 19u09.

De duistere ingewanden van de hoofdstad worden op dit ogenblik druk belopen door een eskader moedige krijgers. De militairen van Blood and Honour en enkele bevriende organisaties rollen honderden meters touw uit, plaatsen vakkundig explosieven, ontvangers en receptoren. Hier en daar jagen ze de ondergrondse krakers naar het daglicht of verder in het doolhof. Ze blijven wijselijk uit de buurt van het schuilgat van de Bende van Nijvel; buiten onverwachte schermutselingen met verbitterde vrienden is daar niets te vinden. Al gauw hebben de legermannen heel Brussel stad ondermijnd. Pieter De Crem leidt de operaties vanuit zijn basis onder het federale parlement. Onder de kaki anorak heeft hij zijn witte regenmantel aan. Wit voor vrede. Maar dat is voor straks, eens hij weer bovengronds komt.

Bovengronds is het burgeroorlog. Of toch in het parlement. Opgesmeten dossiers dwarrelen neer. Oude vetes breken weer uit en verse verdenkingen komen op. Parlementsleden schelden elkaar uit over de banken heen. Vingers wijzen en schudden naar alle kanten en hier en daar vliegen papieren vliegtuigen rond. Jean-Marie Dedecker pleziert zichzelf met het nemen van foto’s op zijn gsm. De stormbrigades van het Vlaams Belang komen aan in de Wetstraat. Ze rukken uit van hun zwarte bussen met een rij politiewagens achter hen wegens veel te hoge snelheden op de autostrade en grote aantallen verkeersovertredingen. Samen met de andere kopstukken ontsnapt Filip Dewinter aan de gevechten tussen hun knokploegen en de ordediensten. De komst van de Blokkers in het halfrond voegt enkel een laag chaos toe aan de hevige discussies die er al woedden. Een kakofonie van talen overstemt de bedarende pogingen van kamervoorzitter Herman van Rompuy. Enkele meters verder geniet zijn broer stilzwijgend en spottend van de parlementaire apocalyps. Hij leunt aan bij Jo Vandeurzen die alles volgt met een trieste, gedegouteerde blik. Vertegenwoordigers van alle partijen richtten hun pijlen op Yves Leterme, die wat ongemakkelijk en afwachtend naar Bart De Wever kijkt. Die laatste geniet zichtbaar van de kolerieke aandacht die hem te beurt valt uit Franstalige hoek. Enkel de mannen van de FDF blijven beheerst. Olivier Mangain dekt zijn telefoon af van het omgevende gewoel terwijl hij orders doorbelt.

Verloren in zijn onmacht houdt Herman Van Rompuy de ogen neer naar de lege ruimte voor hem. Hij droomt nostalgisch weg naar de hoogdagen van de federale entente. Net wilt hij de blik van zijn liberale voorganger en naamsgenoot opzoeken of hij stuit op een anomalie in het tapijt. Eerst merkt enkel hij de langwerpige, natte vlek die zich aftekent op het groene, kamerbreed tapijt. Nu zijn mimiek zijn verbazing verraadt wijzen de vingers spontaan naar de grond. De oorlogskreten vallen stil en maken plaats voor een verward gefrons. Ook de leden van het V-dayteam kijken elkaar bevragend aan. Eric Van Rompuy belt meteen De Crem op. De Crem neemt op maar zegt niets.
- “Pieter, wat gebeurt er onder het parlement? Is er een probleem?” fluistert Eric snel en met schorre stem. Zijn vraag blijft onbeantwoord en Eric concentreert zich op de stilte aan de andere kant van de lijn.
- “Pieter?” vraagt hij nogmaals. Uit Van Rompuys gsm kraakt de stem van De Crem:
- “Help mij! De duivel is hieeeeeeeeeer! Heeeeeelp!” Bijna ogenblikkelijk barst de vloer van het parlement open en een vuile waterkolom spuit op tegen het plafond. De regering en de volksvertegenwoordigers vallen achterover en schuilen zich achter de bruine banken. Na enkele seconden is de stortvlaag over en zien de opstekende hoofden vanuit hun schuilplaatsen een groot gat voor het spreekgestoel. Herman Van Rompuy ligt levensloos en dubbelgeplooid in een hoek. Het grondwater spuit hier en daar nog in zwakke stralen door de zaal. Over de eerste rijen van het halfrond heen liggen steenbrokken en de fragmenten van een menselijk lichaam. De premier verkeert in schok en houdt in zijn hevig bevende handen het gekneusde hoofd van Pieter De Crem vast.
- “Daar gaat jullie defensie,” klinkt een helse schaterlach uit het gat en meteen springt Leopold II vooraan in het parlement. Hij draagt de witte regenmantel van De Crem en de smerige bloedspatten erop doen het lijken op hermelijn. Uit de losse pols smijt de herrezen vorst nog een paar hoofden van Blood and Honour tussen de volksvertegenwoordigers. Didier Reynders, die altijd zeer flexibel reageert op nieuwe situaties, ziet in dat ze er straks allemaal aan gaan en overweegt secondensnel zijn ultieme carrièrezet:
- “Oh, Majesté, vous êtes revenu! Ik smeek Uw Gratie om deze trouwe royalist als uw bescheiden slaaf en dienaar te gedogen.”
- “Petit parasite!” beslecht Leopold II kordaat en het harde voorhoofd van Didier Reynders treft Eric Van Rompuy in vol gelaat, waardoor deze twee moedige mannen van het volk in één klap omkomen. De bebaarde Pygmee verlamt de gehele Kamer met zijn duivelse hysterie.
- “Belgique, ton maître est de retour! Ik roei dit hoopje incompetenten zo uit. Gedaan regering, gedaan kamer, gedaan senaat. L’état, c’est moi. Het hart der duisternis heeft mij de macht gegeven te herrijzen en te beschikken over de soldaten van mijn land. Ik vermoord jullie allemaal en neem met mijn leger geheel Europa ten gijzel. En daarna, de wereld!” In andere omstandigheden hadden deze uitspraken belachelijk geklonken uit de mond van een vers- en zelfbenoemde dwergkoning van een microscopisch én drietalig land. Maar gezien alweer enkele koppen in de Kamer rollen en de muren beven, blijft iedereen anstig achter zijn stoel schuilen. In de wandelgangen bovenaan proberen enkele journalisten te vluchten maar de deuren klappen dicht. Leopold II geraakt in trance en zweeft een tweetal meters boven de grond. Zijn ogen rollen in zijn hoofd en hij neuriet de Brabançonne met de stem van Sandra Kim. Bliksemschichten en tornados doen rondom hem papieren en stof opwaaien.

Overal te lande verlaten schuimbekkende militairen hun kazernes. Onder de magische bekoring van de vorst rukken ze in tanks, jeeps en vrachtwagens naar de Wetstraat op. De piloten lopen als zombies naar hun straaljagers. De F16’s zijn echter al verkocht en velen gaan dan maar met de trein. Op de Noordzee vormt de marine een blokkade en op de Schelde richt men de kanonnen al op Antwerpen. In de verscheidene gevangenissen van België zorgen het kleine tiental nieuwe cipiers uit het leger voor een algemene chaos, wat op enkele uren zal leiden tot het leeglopen van het gevangeniswezen. Al gauw bezwijken ook de politiediensten aan de koninklijke lokroep en verlaten overal hun posten. In de wanorde die het parlement teistert ziet Bart De Wever een kans om de situatie te redden. In een sierlijke duik rolt hij naar wijlen Eric Van Rompuys gsm en sneltoetst de noodcode “1302”. Zopas heeft hij het bericht verstuurd of Bart De Wever roostert als een gillend zwijntje in het vagevuur van Leopold II. Zijn dappere daad blijft echter onbeantwoord want de vertrouwelingen van De Crem liggen òf dood in de gangen onder Brussel òf ze zijn bedwelmd door de machten van de vorst. Zij die nu de koning dienen voeren een onderaardse strijd met de verenigde, Franstalige manschappen. De FDF-strijders infiltreerden het netwerk op bevel van Maingain en kregen ogenblikkelijk de hulp van enkele ontwaakte Communistische Cellen. Ook een groep voormalige syndicalisten van de Forges de Clabecq is aanwezig, ter plaatse geroepen via bepaalde PS-kanalen die op de hoogte waren van de operatie Vlag en Vaandel. In de Kamer ziet Leterme, eerder een man van gedachten dan van daden, een laatste kans in de verbreking van de betovering. Vanachter zijn brandende bank stuurt hij met de blackberry zijn orders door naar het Vlaamse parlement. Kris Peeters vat daar de noodzaak van de situatie samen en in één, twee, drie wordt éénzijdig voor de Vlaamse onafhankelijkheid gestemd. De handen zijn nog maar pas de lucht in of Kris Peeters spreekt zich gevat uit:
- “Bij deze verklaar ik Vlaanderen onafhankelijk.” In de Wetstraat krijgt Leopold II een acute migraine. Hij valt neer uit zijn metershoge levitatie en kronkelt bletend als een getroffen dier over de grond. Het stof zakt in dikke wolken neer, samen met het water dat overal nog uit gebroken leidingen blijft spuiten. Het getier van de vorst is oorverdovend en hij draait bezeten over de vloer zoals een vlieg waarop men insecticide heeft gespoten. De parlementsleden kijken voorzichtig van achter hun verkoolde banken op. Roberto D’Orazio steekt verbluft zijn kop door het gat in de vloer en spreekt zo de Kamer aan met zijn megafoon:
- “Ca va tout le monde?” Het getier van Leopold II gaat over in een wild staccato en de kleine duivel komt weer op zijn benen te staan. Le moment de vérité, denkt Leterme, we moeten hem afmaken. Hij werpt zich naar de rand van het gat en roept naar d’Orazio:
- “Je vous en prie, monsieur D’Orazio, c’est une urgence.” Roberto werpt de premier zijn megafoon toe. Intussen is Leopold II overgegaan tot een buikdiep gegrom en hervat hij zijn bliksembegeleide levitatie:
- “Rrrrrrroturiers! Ssssssmerige democraten! Populisten! Ik maak jullie af!” Yves Leterme beklimt de resten van het spreekgestoel en daar in hemdsmouwen staande, doet hij wat hij zichzelf altijd heeft voorgenomen: de knoop doorhakken. Vanuit de megafoon richt hij zich tot de overblijvende politiekers:
- "Beste volksvertegenwoordigers, de situatie noodzaakt ons tot snelle actie. Laten we unaniem deze vreselijke betovering doorbreken en deze duivel terugsturen naar de hel!" Leopold II houdt zich in het luchtledige achterover. Hij gorgelt en laadt weer al zijn krachten op. Alle politici staan rechtop en wachten versteend op de ontlading. Leterme grijpt terug naar hun aandacht:
- "We moeten nu beslissen! Aanvaardt de Kamer de onafhankelijkheid van Vlaanderen? Komaan, allen samen, l'union fait la force!" De muren beginnen opnieuw te beven en de zwevende vorst komt op zijn climax. Jo Vandeurzen steekt zijn hand triomfantelijk in de lucht en ontketent een parlementaire Mexican wave, begeleid door een collectieve "JA". Het gegrom van Leopold II slaat over van het gebrul van honderden leeuwen naar een allesvernietigende explosie. Kamer en Senaat storten in om 19u20 of zo'n drietal minuten na het verlopen van de klok. Heel televisiekijkend België ziet op het verzonden panorama van Brussel een rookkolom opgaan ter hoogte van de Wetstraat. Hals over kop graait Geert Bourgeois zijn belangrijkste papieren bijeen en ontvlucht zijn bureau richting Oostenrijk.


Epiloog

Twaalf juli 2008 is een stralende zomerdag. Het land heeft geen regering meer, geen Kamer, geen Senaat. In de media klinkt het dat België in schok is maar de meeste mensen moeten ook vandaag hun brood verdienen. Anderen willen genieten van een zuurverdiende vakantie. Vele toeristen begeven zich met dit weer naar de kust en de horeca krijgt er zelfs hoop van op een winstgevend seizoen. Heel wat zomerkampen zijn in allerijl afgeschaft en beteuterde kinderen zitten nu verveeld te luisteren naar de berichten over deze nationale rouwdag. De feiten worden gereconstrueerd en specialisten geven hun mening over hoe het nu verder moet, zonder politieke elite. Naar de mening van velen doen we nu beroep op het buitenland. En op de lokale en provinciale niveaus. Steve Stevaert glundert in zijn tuin. In Brussel ontmijnen Franse, Duitse en Nederlandse soldaten het ondergrondse netwerk. Ze zorgen ook voor de opvang van duizenden militairen en politieagenten, die gans uit hun lood geslagen de betovering overleefden. Een honderdtal van hen kwam poedelnaakt tot bewustzijn in de tuinen van het paleis. Ze worden nu ondergebracht in lokale scholen, feestzalen en cantines. Het ziet er naar uit dat ondanks alles het land deze ramp overleeft. Via de media stellen Balkenende, Merkel en Sarkozy de Belgische bevolking gerust. "We zorgen voor u," klinkt het al sympathiek en we zien beelden van Angela op het stadsplein in Malmédy, beelden van de gelukkige intrede van Balkenende in Antwerpen en beelden van Sarkozy mét Carla én rolex aan de arm én zonnebril op aan het strand van Koksijde. Het land moet niet geheel wanhopen want toch een deel van de politieke intelligentsia overleefde de klap, zelfs in de Wetstraat. Op televisie zien we hoe de brandweermannen van onder het puin een wc-deur wegtrekken en meteen een hand oprijst. Vanonder het stof halen ze Annemie Turtelboom boven die meteen haar medewerking aan de volgende regering verzekert. Ook buiten het oog van de media bereidt iemand zijn comeback voor. Guy Verhofstadt snelt vanuit Italië zijn geliefkoosde economie ter hulp maar zijn cabrio valt in panne ter hoogte van Lyon. Even meent hij te bellen naar Nicolas maar gezien hij de bevolking wilt verrassen beslist hij op eigen houtje terug te keren. Elegant en zelfzeker staat hij te liften aan de rand van de snelweg. Een Belgische vrachtwagen vol industriële lijmen pikt de ex-premier op. De chauffeur is een Franssprekende Roemeen en herkent Verhofstadt niet.
- "Voer ik u tot nabij de volgende garage?" Verhofstadt geeft de man een vriendschappelijke glimlach en legt vijfhonderd euro op het dashboard:
- "Ziezo, voor de brandstof. En rij nu maar stevig door tot in Brussel."