20070216

Leven na Myanmar

Van Yangon naar Mandalay en hogerop, dan weer zuidwaarts, naar de bergen, naar een meer, in treinen, in bussen, over hobbelige wegen en steeds weer de vervreemding, het voorbijschuivende landschap, het wakkerworden. Ik glimlachte mijn kaakspieren kapot want dat was het beste wat ik kon doen om al die betel-rode gebitten te beantwoorden. Kon ik maar een dollar geven voor elke witte, westerse tand die ik ontblootte uit verplichting uit schaamtegevoel uit bewustzijn van onrechtvaardigheid. Een dollar is voor velen meer dan een dagloon. Ik kwam wakker in propvolle bussen, enkel om minuten later in te dommelen en te dromen van andere plaatsen en andere tijden. Ik was in het Dublin van Joyce, dan in het Manhattan van Fitzgerald en dan tuurde ik weer door het raam naar Myanmar. Mijn talen werden een soep en ik zag in de geleidelijke afbrokkeling van mijn 'zelf' de bevestiging van opgepikte lectuur over het lichtende pad. En overal die mieren. Ze begonnen in Yangon toen ik Julian Huxleys fascinerende uiteenzetting over deze ijverige insecten vond. En ik kwam ze hier en daar tegen, in kolommen, bezig met hun intense en absurde arbeid, nu in een tempel, dan weer om een rustige straathoek. Ik herkende in die werkertjes en vechtertjes wat Aldous Huxley (familie van, geloof ik) er zoals zovelen in weerspiegeld zag; die mieren, natuurlijk, dat zijn wij.

Mijn visum zat er bijna op en ik had het zo gehad met dat land. Ik vloog terug op Bangkok en botste met de overvloedige beschaving. Zonder de gigantische vlieghaven te verlaten vloog ik meteen door naar Chiang Mai. Naast chocolade, bier, pizza's, sigaretten vond ik hier ook een cinema. En daar zag ik vandaag "Babel". En ik heb geweend en dat was zeer lang geleden dat ik nog tijdens een film huilde. Ik neem morgen de bus naar Chiang Rai en vervolgens naar Laos, terug naar de barbarie. Aaaaah de barbarie, de onderontwikkeling, de ontbinding, de onthechting!